15/10/26

Fiscale procedure van 14 jaar schendt redelijke termijn

Een fiscaal geschil mag complex zijn en een belastingplichtige mag zelf mee verantwoordelijk zijn voor vertraging. Toch zijn er grenzen. In het arrest SIRVA NV t. België van 8 oktober 2026 oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat een fiscale procedure die al meer dan veertien jaar duurt en nog steeds niet is afgerond, de redelijke termijn van artikel 6, § 1 EVRM overschrijdt.

Het arrest bouwt voort op Vegotex International t. België en bevestigt bovendien dat België nog altijd niet aantoont dat een belastingplichtige over een effectief nationaal rechtsmiddel beschikt om de buitensporige duur van een nog lopende fiscale procedure te bestrijden.

Van kartelboete naar fiscaal geschil

In 2008 legde de Europese Commissie aan SIRVA NV een kartelboete van 3,49 miljoen euro op wegens afspraken op de Belgische markt voor internationale verhuisdiensten. De vennootschap vocht die sanctie zonder succes aan bij het Gerecht van de Europese Unie en vervolgens bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Het daaropvolgende Belgische fiscale geschil ging over de aftrekbaarheid van de kartelboete en de daarop betrekking hebbende interesten. Op 7 december 2011 kondigde de FOD Financiën aan dat de belastingaangiften van de vennootschap zouden worden aangepast. Volgens de administratie waren de kartelboete en de interesten niet fiscaal aftrekbaar. Zij kondigde bovendien een belastingverhoging van 10 procent aan wegens een onvolledige aangifte.

Na een bezwaarprocedure, een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg en hoger beroep volgde een cassatieberoep. Op 2 mei 2024 oordeelde het Hof van Cassatie dat de kartelboete zelf niet aftrekbaar was. Het arrest werd wel vernietigd voor het gedeelte over de aftrekbaarheid van de interesten. Dat geschil werd verwezen naar het hof van beroep te Gent en was eind 2025 nog steeds hangende.

Wanneer begint de redelijke termijn te lopen?

Het EHRM laat de redelijke termijn aanvangen op 7 december 2011. Dat is de datum waarop de vennootschap werd geïnformeerd over het voornemen van de belastingadministratie om haar aangifte te wijzigen en een belastingverhoging op te leggen.

Toen de vennootschap zich op 28 augustus 2024 tot het EHRM wendde, liep de procedure al twaalf jaar, acht maanden en 21 dagen. Bij het afsluiten van de schriftelijke behandeling voor het Hof, op 15 december 2025, was de zaak nog altijd niet definitief beslecht. De totale duur bedroeg toen meer dan veertien jaar.

Het Hof erkent dat SIRVA zelf tot bepaalde vertragingen heeft bijgedragen. Zo vroeg de vennootschap om uitstel, diende zij omvangrijke conclusies in en stelde zij verschillende rechtsmiddelen in. Ook de technische complexiteit en de Europeesrechtelijke dimensie van de zaak konden volgens het Hof een langere behandelingsduur verantwoorden.

Maar noch de complexiteit van het dossier, noch de proceshouding van de belastingplichtige kan een totale duur van meer dan veertien jaar rechtvaardigen. Het Hof stelt daarom unaniem een schending van artikel 6, § 1 EVRM vast.

Aan de vennootschap werd 5.000 euro toegekend als vergoeding voor morele schade. De gevraagde vergoeding voor materiële schade en gerechtskosten werd afgewezen wegens het ontbreken van respectievelijk een causaal verband en voldoende bewijsstukken.

Van Ferrazzini naar Vegotex en SIRVA

Het arrest past in een geleidelijke ontwikkeling van de rechtspraak over artikel 6 EVRM in belastingzaken.

Zuivere belastinggeschillen blijven in beginsel uitgesloten

Sinds Ferrazzini t. Italië geldt als uitgangspunt dat een geschil over de belasting als zodanig niet gaat over “burgerlijke rechten en verplichtingen” in de zin van artikel 6 EVRM. Belastingen behoren volgens het Hof tot de harde kern van de publiekrechtelijke prerogatieven van de overheid. Artikel 6 EVRM is daarentegen wel van toepassing wanneer een fiscale geldboete of belastingverhoging een “strafrechtelijk” karakter heeft.

Vegotex: redelijke termijn bij belastingverhogingen

Voor België vormt het arrest Vegotex International t. België een belangrijk ijkpunt. Die zaak betrof aanvullende belastingen en een belastingverhoging. De procedure begon in 1995, toen de administratie haar voornemen bekendmaakte om de aangifte te wijzigen en een verhoging op te leggen, en eindigde pas in 2009. De Grote Kamer van het EHRM stelde unaniem vast dat de duur van meer dan dertien jaar en zes maanden buitensporig was.

In Vegotex verduidelijkte het Hof tevens dat fiscale sancties niet tot de harde kern van het strafrecht behoren. Daardoor hoeven niet alle strafprocessuele waarborgen steeds met dezelfde intensiteit te worden toegepast als in klassieke strafzaken. Dat neemt evenwel niet weg dat de belastingplichtige recht heeft op een beslissing binnen een redelijke termijn.

SIRVA: bevestiging en concretisering

SIRVA bevestigt de uitgangspunten uit Vegotex op drie punten.

  1. Ten eerste begint de redelijke termijn niet pas bij het indienen van een bezwaarschrift of het instellen van een gerechtelijk beroep. De termijn loopt vanaf het ogenblik waarop de belastingplichtige officieel wordt geïnformeerd dat de administratie zijn aangifte wil wijzigen en een belastingverhoging wil opleggen.
  2. Ten tweede moet de procedure in haar geheel worden beoordeeld. De administratieve fase, de procedure voor de fiscale rechter, het hoger beroep, de cassatieprocedure en de behandeling na verwijzing vormen samen één tijdsverloop.
  3. Ten derde is complexiteit geen vrijgeleide. Een technisch fiscaal dossier, omvangrijke conclusies en opeenvolgende rechtsmiddelen kunnen een langere duur verklaren, maar zij rechtvaardigen niet dat een procedure na veertien jaar nog steeds niet is afgerond.

Nog steeds geen aangetoond effectief Belgisch rechtsmiddel

Een tweede belangrijk aspect van SIRVA betreft de ontvankelijkheid van de klacht.

De Belgische regering voerde aan dat de vennootschap de overschrijding van de redelijke termijn niet voor het Hof van Cassatie had aangevoerd en geen aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat had ingesteld.

Het EHRM verwerpt beide argumenten. België toonde niet aan dat het Hof van Cassatie de buitensporige duur effectief had kunnen verhelpen. Evenmin legde de regering nationale rechtspraak voor waaruit blijkt dat een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat een effectief rechtsmiddel vormt wanneer de onderliggende procedure nog loopt.

Daarmee sluit het Hof aan bij het arrest Van den Kerkhof t. België van 5 september 2023. In die zaak stelde het een schending van artikel 6 EVRM vast wegens de buitensporige duur van een burgerlijke procedure. Het Hof wees bovendien op een structureel probleem met de behandelingsduur van burgerlijke zaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel en verplichtte België algemene maatregelen te nemen.

SIRVA toont dat de betekenis van Van den Kerkhof verder reikt dan klassieke burgerlijke geschillen. Ook in fiscale procedures die volgens het Belgische recht door de gewone hoven en rechtbanken worden behandeld, moet België het bestaan van een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel tegen buitensporige vertraging aantonen. Dat is volgens het Hof nog steeds niet gebeurd.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Het arrest bevat verschillende aandachtspunten voor de behandeling van fiscale sanctiedossiers.

  1. Breng de volledige chronologie in kaart

    De relevante termijn kan al beginnen bij het bericht van wijziging of een andere officiële kennisgeving waarin een belastingverhoging of administratieve geldboete wordt aangekondigd. De aanvangsdatum valt dus niet noodzakelijk samen met het bezwaarschrift of het verzoekschrift voor de rechtbank.

  2. Maak onderscheid tussen belasting en sanctie

    Voor de toepassing van artikel 6 EVRM blijft het onderscheid tussen de belasting zelf en het bestraffende gedeelte belangrijk. Een zuiver belastinggeschil valt volgens de klassieke rechtspraak in beginsel buiten artikel 6 EVRM. Een belastingverhoging of fiscale geldboete kan de procedure wel binnen het strafrechtelijke toepassingsgebied van die bepaling brengen.

  3. Anticipeer op de proceshouding van de belastingplichtige

    Uitstelverzoeken, omvangrijke conclusies en bijkomende rechtsmiddelen kunnen bij de beoordeling worden betrokken. Zij doen het recht op behandeling binnen een redelijke termijn niet vervallen, maar kunnen wel verklaren waarom een deel van de duur niet aan de overheid wordt toegerekend.

  4. Vraag om concreet rechtsherstel

    Het arrest vernietigt de belastingaanslag of de belastingverhoging niet. Het EHRM kent alleen een vergoeding van 5.000 euro voor morele schade toe. Voor de nationale rechter blijft daarom de vraag welke gevolgen aan de overschrijding moeten worden verbonden, zoals een vermindering van de fiscale sanctie of, waar passend, een afzonderlijke schadevergoeding.

Besluit

Met SIRVA t. België bevestigt het EHRM dat ook complexe fiscale procedures een uiterste houdbaarheidsdatum hebben. De belastingplichtige mag rechtsmiddelen aanwenden en een dossier kan technisch en omvangrijk zijn, maar een procedure die na meer dan veertien jaar nog steeds niet is afgerond, overschrijdt de grenzen van artikel 6, § 1 EVRM.

Het arrest ligt in het verlengde van Vegotex en verbindt die fiscale rechtspraak met de bevindingen uit Van den Kerkhof over het ontbreken van een aangetoond effectief rechtsmiddel tegen buitensporig lange, nog lopende procedures. Voor Belgische fiscale advocaten is de boodschap duidelijk: zodra een belastingverhoging of fiscale boete aan de orde is, moet de redelijke termijn vanaf de eerste sanctiegerichte kennisgeving worden bewaakt en moet de volledige administratieve en gerechtelijke procedure in aanmerking worden genomen.

Authors:

  • Peter Vanvelthoven, Jurist studiedienst
dotted_texture