Boek 7 BW behoudt het uitgangspunt dat een vaste prijs bindend is, maar voert tegelijk een beperkte correctie in voor ongekende omstandigheden. Vooral in aanneming, bouw-, infrastructuur- en IT-contracten kan artikel 7.4.8 BW een belangrijke rol spelen.
In het hoofdartikel ‘Boek 7 “Bijzondere overeenkomsten”. Wat verandert er voor de contractpraktijk?’ (interview met prof. dr. Thijs Tanghe, docent Verbintenissenrecht VUB, advocaat Eubelius) wordt in het onderdeel ‘Dienstencontracten’ kort verwezen naar de regeling van ongekende omstandigheden. Deze regeling is bijzonder relevant voor aanneming, bewaargeving, lastgeving en andere dienstencontracten waarin partijen een forfaitaire prijs afspreken.
Onderstaand artikel is voor de geïnteresseerden een meer diepgaande analyse van de impact van Boek 7 BW wat vasteprijsovereenkomsten betreft en hiervoor interviewde Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag) mr. Joris De Vos, advocaat-vennoot Dentons en mr. Valentine Vandendriessche, advocaat Dentons.
Tekst bijgewerkt tot 23 september 2026.
Kunnen jullie uitleggen waarom de regeling van de vasteprijsovereenkomst een markante vernieuwing is in Boek 7 BW?
De hervorming van het Burgerlijk Wetboek heeft in België geleid tot een gefaseerde modernisering van het verbintenissen- en contractenrecht en Boek 7 BW, dat de bijzondere contracten zal regelen, is gepubliceerd in het Staatsblad van 23 september 2026.
Een van de meest markante vernieuwingen betreft de regeling van de vasteprijsovereenkomst binnen het dienstencontract. Die regeling is bijzonder relevant voor aanneming, bewaargeving, lastgeving en andere dienstencontracten waarin partijen een forfaitaire prijs afspreken. De kernvraag is eenvoudig maar juridisch geladen: wat gebeurt er wanneer de uitvoering van een contract tegen vaste prijs veel zwaarder of duurder uitvalt dan voorzien, of wanneer zich tijdens de uitvoering omstandigheden voordoen die het contractuele evenwicht verstoren?
Boek 7 BW probeert die vraag te beantwoorden door het klassieke forfait te behouden, maar tegelijk een beperkte correctiemechaniek in te voeren voor ongekende omstandigheden.
Boek 7 BW voorziet dat aanneming, bewaargeving en lastgeving niet langer als volledig afzonderlijke regimes worden behandeld, maar in grote mate worden opgenomen in één overkoepelend dienstencontract. Volgens jullie is dit dan ook heel belangrijk voor contracten waarin partijen vooraf een vaste prijs afspreken.
Een belangrijke structurele wijziging is inderdaad dat aanneming, bewaargeving en lastgeving niet langer als volledig afzonderlijke regimes worden behandeld, maar in grote mate worden opgenomen in één overkoepelend dienstencontract. Dat leidt tot een meer uniforme regeling van de wederzijdse verplichtingen, de prijs, de conformiteit en bepaalde uitzonderlijke correctiemechanismen.
Binnen dat dienstencontract worden drie algemene leerstukken veralgemeend: conformiteit, ongekende omstandigheden en verantwoordingsverbintenis. Conformiteit wordt een algemeen criterium, waar dat vroeger vooral via analogie met het kooprecht werd ingevuld. Ongekende omstandigheden krijgen een eigen wettelijke basis in artikel 7.4.8 BW. De verantwoordingsverbintenis, die voordien vooral binnen lastgeving speelde, wordt eveneens veralgemeend.
Deze evolutie heeft inderdaad een bijzonder belang voor contracten waarin partijen vooraf een vaste prijs afspreken. De vraag rijst dan immers wie het risico draagt van meerwerk, verborgen moeilijkheden, kostentoename of plotse verstoring van de uitvoering.
Lees ook:
Hoe gebeurt de prijszetting binnen het dienstencontract in de praktijk?
In de praktijk zijn er verschillende vormen van prijszetting binnen het dienstencontract.
De vaste of forfaitaire prijs is daarbij de klassieke vorm: een globale prijs voor het geheel, waarbij de opdrachtnemer in beginsel het risico draagt van een duurdere uitvoering.
Daarnaast bestaan er ook relatieve forfaits, eenheidsprijzen, eenzijdige prijswijzigingsbedingen, prijsherziening, en cost-plus-regelingen of werken in regie.
Bij een relatief forfait blijft het contract in beginsel forfaitair, maar kunnen meerwerken of wijzigingen apart worden verrekend volgens vooraf bepaalde criteria. Bij eenheidsprijzen ligt de prijs per post of per eenheid vast, terwijl het uiteindelijke volume kan variëren. Bij cost plus fee of vrije rekening ligt het uitvoeringsrisico veel meer bij de opdrachtgever, omdat de prijs gebaseerd is op werkelijke kosten plus een vergoeding.
Voor de juridische analyse van artikel 7.4.8 BW is vooral het onderscheid tussen forfait en eenheidsprijs essentieel. De regeling van ongekende omstandigheden grijpt immers aan bij het forfaitaire prijsmodel. Eenheidsprijzen vallen daar in principe buiten, omdat de prijs dan niet volledig vooraf vastligt maar afhankelijk blijft van de werkelijk gepresteerde hoeveelheden.
Maar men moet ook verder kijken dan enkel Boek 7 BW. Ook het algemene verbintenissenrecht en de B2B-wetgeving hebben een impact?
Inderdaad, ook het spanningsveld met het algemene verbintenissenrecht en de B2B-wetgeving is belangrijk. Een eenzijdig prijswijzigingsbeding is niet absoluut verboden, maar staat op de grijze lijst van artikel VI.91/5, 1° WER. Zo’n beding wordt vermoed onrechtmatig te zijn wanneer het de gebruiker toelaat om zonder geldige reden de prijs, kenmerken of voorwaarden eenzijdig te wijzigen.
Die geldige reden moet objectief zijn en niet louter discretionair. Een wijziging op grond van gewijzigde marktomstandigheden, zoals grondstofprijzen of toeleveringskosten, kan in bepaalde omstandigheden wél worden verantwoord. Daarentegen volstaat een willekeurige of louter arbitraire aanpassing niet.
En het is ook zo dat artikel 57 van de wet van 30 maart 1976 prijsherziening in industriële en commerciële prijzen slechts onder strikte voorwaarden toelaat. Het verbiedt met name herzieningsformules die verwijzen naar een algemeen indexcijfer (zoals de consumptieprijs- of gezondheidsindex); herziening is enkel geldig wanneer zij verwijst naar objectieve parameters die de reële kosten weerspiegelen, elke parameter slechts op het overeenstemmende prijsdeel wordt toegepast en minstens 20% van de prijs vast blijft.
De regel bevestigt dat prijsbewegingen in contracten niet onbeperkt contractueel kunnen worden geautomatiseerd.
Ook hier is de boodschap: wie prijsrisico’s wil verleggen of beperken, moet dat zorgvuldig en wettelijk conform doen.
Artikel 7.4.8 BW is de kern in deze materie. Lichten jullie dat alvast toe?
Artikel 7.4.8 BW is ongetwijfeld de kern, want het artikel luidt in essentie dat de opdrachtnemer de opdracht uitvoert voor de overeengekomen prijs. Wanneer een forfaitaire prijs werd overeengekomen, kan de opdrachtnemer geen enkele verhoging eisen, zelfs wanneer de opdracht meer werk of meer uitgaven vereist dan voorzien.
Dat uitgangspunt wordt echter genuanceerd door een belangrijke uitzondering. Onverminderd artikel 5.74 BW kan de opdrachtnemer aan de opdrachtgever vragen om het contract opnieuw te onderhandelen met het oog op aanpassing of beëindiging, op voorwaarde dat een reeks cumulatieve vereisten is vervuld. Het gaat om omstandigheden die al bestonden bij de contractsluiting, maar toen onbekend waren, en die de uitvoering buitensporig bezwarend maken.
De wetgever kiest dus niet voor een volledig automatische prijsherziening, maar voor een getrapt mechanisme. Eerst heronderhandeling, vervolgens behoud van de uitvoering tijdens die onderhandelingen, en pas daarna eventueel rechterlijke tussenkomst.
In artikel 7.4.8 BW worden ook vijf cumulatieve voorwaarden opgesomd, dus deze moeten samen vervuld zijn?
Dat klopt, vijf cumulatieve voorwaarden zijn vereist leert artikel 7.4.8 BW:
- De omstandigheden die bij de contractsluiting al bestonden, maken de uitvoering van het contract door de opdrachtnemer buitensporig bezwarend, dermate dat de uitvoering ervan redelijkerwijze niet kan worden geëist.
- Die omstandigheden waren bij contractsluiting redelijkerwijze niet kenbaar.
- De omstandigheden zijn niet aan de opdrachtnemer toerekenbaar.
- De opdrachtnemer heeft het risico niet voor zijn rekening genomen.
- Noch de wet, noch het contract sluit de mogelijkheid uit.
Deze vijf voorwaarden moeten samen vervuld zijn. Dat maakt van artikel 7.4.8 BW een uitzonderingsmechanisme, geen algemene correctieregel. Vooral de vierde en vijfde voorwaarde zijn in de praktijk sterk contractueel gestuurd. Wie in de overeenkomst duidelijk bepaalt dat bepaalde risico’s door de opdrachtnemer worden aanvaard, of dat artikel 7.4.8 BW wordt uitgesloten, beperkt de werking van de bepaling aanzienlijk.
De procedure van heronderhandeling is ook duidelijk bepaald in het artikel 7.4.8 BW?
Artikel 7.4.8 BW werkt volgens een duidelijk procedureel model. De opdrachtnemer vraagt eerst de heronderhandeling van het contract. Tijdens die heronderhandelingen blijven partijen hun verbintenissen nakomen. Er is dus geen automatische opschorting of eenzijdige stopzetting.
Als de heronderhandeling wordt geweigerd of mislukt binnen een redelijke termijn, kan de opdrachtnemer zich tot de rechter wenden. Die rechter kan het contract aanpassen of geheel of gedeeltelijk beëindigen. De rechter doet dat op een wijze die aansluit bij de vormen van het kort geding.
Dat procedureel kader is belangrijk. De wetgever wil vermijden dat de opdrachtnemer op eigen houtje de prijs hertekent of de uitvoering stopzet. Het evenwicht tussen contractsvrijheid, rechtszekerheid en billijkheid wordt aldus via een gecontroleerde rechterlijke tussenkomst bewaakt.
Kunnen we stellen dat de basisprincipes behouden blijven, maar dat het de breuklijn is die verschuift?
Juist, de kernboodschap is dat het basisprincipe niet verandert: bij forfait blijft de prijs bindend, ook als de uitvoering zwaarder of duurder uitvalt. Wat wel verandert, is de precieze breuklijn waarop het contractuele risico niet langer uitsluitend bij de opdrachtnemer ligt.
Het mechanisme van artikel 7.4.8 BW komt dus niet neer op een afzwakking van pacta sunt servanda, maar op een beperkte en juridisch gecontroleerde uitzondering.
De opdrachtnemer moet niet enkel aantonen dat de uitvoering moeilijker of duurder werd, maar dat de omstandigheden reeds bestonden bij de sluiting, onbekend waren, redelijkerwijze niet kenbaar waren en de uitvoering buitensporig bezwarend maken.
Op welke prijsmodellen is artikel 7.4.8 BW nu van toepassing?
Belangrijk is effectief de vraag op welke prijsmodellen artikel 7.4.8 BW van toepassing is. De regeling is in de eerste plaats van toepassing op absolute forfaits en, in bepaalde mate, op relatieve forfaits. Bij zuiver absolute forfaits is het artikel volledig van toepassing. Bij relatieve forfaits geldt het minstens voor het forfaitaire gedeelte.
Bij eenheidsprijzen ligt dat anders. Omdat de uiteindelijke prijs daar afhangt van de werkelijk gepresteerde hoeveelheden, is artikel 7.4.8 BW daar niet op dezelfde manier relevant. Ook gemengde prijszettingen vereisen een opsplitsing: enkel het forfaitaire deel valt dan onder de regeling.
De bewijspositie is daarbij belangrijk. Het bestaan van een vaste prijs wordt niet vermoed; wie zich erop beroept, moet dat aantonen. In de praktijk betekent dit dat de contractuele redactie van doorslaggevend belang is.
Hoe verloopt de rechterlijke fase in de toekomst, kunnen jullie dat meer gedetailleerd toelichten?
Er is een duidelijke juridische logica voor de rechterlijke fase. Wanneer de heronderhandeling mislukt, kan de rechter het contract herwerken op basis van wat partijen redelijkerwijze zouden zijn overeengekomen op het moment van contractsluiting, indien zij met de vooraf bestaande omstandigheden rekening hadden gehouden.
Dat is een belangrijke correctiegedachte: niet de werkelijkheid achteraf, maar de veronderstelde redelijke contractuele wil op het moment van sluiten is richtinggevend.
Als alternatief kan de rechter het contract geheel of gedeeltelijk beëindigen. Die beëindiging kan niet retroactief werken vóór de vraag tot heronderhandeling. De wetgever laat de rechter ook toe om de modaliteiten van die beëindiging te bepalen.
Die rechterlijke tussenkomst maakt van artikel 7.4.8 BW een flexibel, maar niet vrijblijvend mechanisme. Het contract kan worden gecorrigeerd, maar niet zomaar vernietigd of hertekend zonder toetsing aan de concrete omstandigheden.
Voorbeeld 1. Het Scheldekaai-project
Laten we dit toelichten aan de hand van een eerste voorbeeld, het zogenaamde Scheldekaai-project, waarbij een aannemer een forfaitair contract afsluit voor de bouw van een kaaimuur en ondergrondse parking.
Na de start blijkt dat de bodem zwaar verontreinigd is door vroegere industriële activiteiten. Die verontreiniging bestond al vóór de contractsluiting, maar was niet zichtbaar bij de plaatsbezoeken en stond niet in het bodemattest. De sanering verdriedubbelt de uitvoeringskost.
In dat scenario is geen sprake van overmacht, omdat de uitvoering niet onmogelijk is. Ook artikel 5.74 BW over imprevisie ligt minder voor de hand, omdat de verstoring niet na de contractsluiting is ontstaan.
Artikel 7.4.8 BW komt daarentegen precies in beeld: de omstandigheid bestond al, was onbekend en maakt de uitvoering buitensporig bezwarend.
Twee van de vijf voorwaarden hangen sterk af van de contractuele risicoverdeling: de vraag of het risico is aanvaard en of het mechanisme contractueel werd uitgesloten. Daar ligt een belangrijk werkterrein voor de raadsman.
Voorbeeld 2. Het IT-voorbeeld
Een tweede voorbeeld betreft een IT-implementatie. Een dienstverlener neemt voor een vaste prijs de migratie van een softwarelandschap aan. Tijdens de uitvoering wijzigt een leverancier eenzijdig zijn API, waardoor een groot deel van het werk moet worden hernomen. Die wijziging dateert van na de contractsluiting.
Hier ligt het zwaartepunt eerder bij artikel 5.74 BW over imprevisie dan bij artikel 7.4.8 BW. De verstoring ontstaat immers na de contractsluiting.
Ook daar blijft de centrale vraag dezelfde: is de uitvoering buitensporig bezwarend, is de wijziging onvoorzienbaar, en wie draagt contractueel het risico van dergelijke wijzigingen? Te benadrukken dat vooral assumpties, change-procedures en eventuele uitsluitingsclausules bepalend zijn.
Meer over IT-contracten:
Waarom zijn ook bestaande figuren zoals overmacht, imprevisie en dwaling belangrijk in dit verhaal?
Artikel 7.4.8 BW dient systematisch naast drie bestaande figuren uit Boek 5 gesteld te worden: overmacht, imprevisie en dwaling. Dat maakt de afbakening cruciaal.
Overmacht van artikel 5.226 BW vereist een ontoerekenbare onmogelijkheid tot nakoming. Het moet gaan om meer dan moeilijker of duurder uitvoeren. De schuldenaar wordt bevrijd indien de uitvoering blijvend onmogelijk is geworden, of tijdelijk geschorst bij tijdelijke onmogelijkheid.
Imprevisie van artikel 5.74 BW geldt wanneer een verandering van omstandigheden ná de contractsluiting de uitvoering buitensporig bezwarend maakt. De procedure lijkt sterk op die van artikel 7.4.8 BW: heronderhandeling, voortzetting van de uitvoering, en eventueel rechterlijke aanpassing of beëindiging.
Dwaling van artikel 5.34 BW verschilt fundamenteel omdat zij de geldigheid van het contract zelf raakt. Dwaling vereist een verkeerde voorstelling van een doorslaggevend element, kenbaarheid bij de wederpartij en verschoonbaarheid. In tegenstelling tot artikel 7.4.8 BW leidt dwaling tot nietigheid, niet tot aanpassing van de contractuele uitvoering.
Jullie benadrukken ook het belang van het tijdstip als afbakeningscriterium?
Het tijdstip van de omstandigheid is belangrijk, want bepalend voor de juiste kwalificatie.
- Bestond de omstandigheid al vóór de contractsluiting, maar was zij onbekend? Dan kan artikel 7.4.8 BW spelen.
- Ontstond de verstoring pas na de contractsluiting? Dan is artikel 5.74 BW de aangewezen figuur.
- Gaat het om een onmogelijkheid tot uitvoering? Dan komt overmacht in beeld.
- Raakt de vergissing de toestemming zelf? Dan is dwaling relevant.
Die temporele afbakening is essentieel, maar niet altijd absoluut. Samenloop is mogelijk wanneer een feitencomplex gedeeltelijk voorafbestaand en gedeeltelijk later ontstaan is. In zulke gevallen moet men nauwkeurig onderscheiden welk deel van de verstoring onder welke figuur valt.
Om artikel 7.4.8 BW goed te begrijpen zijn de bouwrechtspraak en de vroegere regelingen in het oud BW van groot belang?
De historische wortels van artikel 7.4.8 BW bevinden zich in de bouwrechtspraak en in de vroegere regeling van artikel 1793 oud BW. Die oude bepaling was streng voor vasteprijsovereenkomsten in de bouw, maar de rechtspraak had via het leerstuk van de “sujétions imprévues” al ruimte gecreëerd voor uitzonderlijke gevallen.
Een belangrijk arrest was het arrest van het Hof van Cassatie van 5 december 2002, waarin de rechter prijsherziening toeliet wegens onvoorziene en abnormale uitvoeringsmoeilijkheden, onder meer omdat de aannemer mocht vertrouwen op informatie van een gespecialiseerd studiebureau. De les uit die rechtspraak is dat feitenrechters vaak beslissend zijn bij de beoordeling van uitzonderlijke moeilijkheden.
Boek 7 BW codificeert dus geen radicale breuk, maar tilt een bestaande rechtspraaklijn naar een algemene regeling voor dienstencontracten.
Vroeger werd er ook veel belang gehecht aan rechtsmisbruik en billijkheid? Is daar iets veranderd?
Een interessante tussenstap is het beroep op rechtsmisbruik en goede trouw in de rechtspraak vóór de codificatie van artikel 5.74 BW. In sommige gevallen kon een strikte contractuele houding die kennelijk buiten verhouding stond tot het nadeel voor de wederpartij, worden gecorrigeerd via de matigende werking van goede trouw of rechtsmisbruik.
Het contractenrecht ontwikkelt zich niet alleen via wetteksten, maar ook via rechterlijke correctiemechanismen. Artikel 5.74 BW en later artikel 7.4.8 BW brengen daar meer structuur in, zonder de onderliggende billijkheidsgedachte te verlaten.
Wat zijn nu de praktische gevolgen voor de contractpraktijk? Welke raad geven jullie?
Wat drafting en risicoallocatie betreft: omdat artikel 7.4.8 BW van aanvullend recht is, kunnen partijen in belangrijke mate zelf bepalen hoe het mechanisme speelt.
Een goede contractpraktijk zal daarom minstens nagaan:
- Welke risico’s worden door de opdrachtnemer uitdrukkelijk aanvaard?
- Wordt het mechanisme van artikel 7.4.8 BW uitgesloten of verfijnd?
- Zijn de onderzoeks-, informatie- en medewerkingsplichten voldoende scherp geformuleerd?
- Zijn er duidelijke regels over heronderhandeling, termijnen en escalatie?
- Is het onderscheid tussen forfait, eenheidsprijs en bijkomend werk contractueel helder uitgewerkt?
Precieze clausules zijn dus geen detail, maar de kern van de risicoverdeling. Zeker in bouw-, infrastructuur- en IT-contracten kan een onzorgvuldige redactie later het verschil maken tussen een afdwingbare vaste prijs en een correctiemechanisme met rechterlijke tussenkomst.
Praktisch aan de slag:
Kunnen jullie nog eens kort samenvatten wat de impact van Boek 7 BW zal zijn voor vasteprijsovereenkomsten?
Boek 7 BW bevestigt dat vasteprijsovereenkomsten in beginsel bindend blijven. De opdrachtnemer blijft dus het uitvoeringsrisico dragen wanneer hij een forfait aanvaardt.
Tegelijk voert de wetgever met artikel 7.4.8 BW een nieuwe, beperkte correctie in voor vooraf bestaande maar onbekende omstandigheden die de uitvoering buitensporig bezwarend maken.
De regeling is daardoor evenwichtig opgebouwd: zij beschermt de contractuele zekerheid, maar laat ruimte voor gerechtvaardigde correctie wanneer de realiteit van de uitvoering fundamenteel afwijkt van wat redelijkerwijze kon worden voorzien. In de praktijk zal het geschil vaak draaien rond de bewijsvraag, de risicoaanvaarding en de contractuele uitsluitingen. Juist daarom blijft de contractredactie in het nieuwe Boek 7 BW van doorslaggevend belang.
Lees het volledige dossier: Boek 7 BW “Bijzondere overeenkomsten”: wat verandert er voor de contractpraktijk?
Authors:
- Marc Vandecasteele, Recht op zaterdag
- Larcier-Intersentia Editorial staff