23/06/26

Indiciaire taxatie: enkel een rekeningsaldo is niet voldoende

Eén van de bewijsmiddelen van de fiscus betreft de raming van een belastbaar resultaat aan de hand van vaststellingen waaruit blijkt dat u vermogender zou zijn dan uw aangifte doet vermoeden. Op basis van dit bewijsmiddel kan de fiscus besluiten tot het vestigen van een indiciaire taxatie. Het hof van beroep te Antwerpen bevestigt in een arrest van 24 maart 2026 dat dergelijke indiciaire taxatie niet kan steunen op de loutere stand van een bankrekening op een gegeven ogenblik. Enkel een tijdens het belastbaar tijdperk vastgestelde vermogensaangroei vormt een geldige indicie én het is de fiscus die daarvan het bewijs moet leveren.

Wanneer uit uw aangifte blijkt dat u nauwelijks genoeg inkomen realiseert om te voorzien in uw levensonderhoud én u toch een rijkelijk uitgavenpatroon hebt, dan kan dit feit aangegrepen worden om u bijkomend (indiciair) te taxeren. Dergelijke taxatie is gebaseerd op een wettelijk vermoeden waarbij een hogere graad van gegoedheid, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige, vermoed wordt voort te komen uit niet-aangegeven belastbare inkomsten. De fiscus dient aldus eerst de indiciën van hogere gegoedheid aan te tonen. Wanneer er een afwijking tussen uw aangegeven inkomen en de door u gedane uitgaven wordt vastgesteld, mag zij vervolgens verzoeken om het verschil te verantwoorden met aangegeven inkomsten of niet-belastbare inkomsten. Bij gebrek aan verantwoording, kan zij besluiten dat de niet-verantwoorde bedragen werden gefinancierd met niet-aangegeven inkomsten.

De feiten

In de zaak die door het hof van beroep te Antwerpen werd beoordeeld, had de fiscus een indiciaire aanslag gevestigd voor aanslagjaar 2006 op grond van fiches van een buitenlandse bank, waaruit bleek dat de belastingplichtigen op 31 december 2005 over twee rekeningen met een aanzienlijk saldo beschikten. Op basis van dit saldo (= de vermogenstoestand) werd de indiciaire taxatie gevestigd.

Vermogenstoestand ≠ vermogensaangroei

Op basis van artikel 341 WIB92 moet de administratie, vooraleer enig tegenbewijs van de belastingplichtige te kunnen eisen, eerst zelf het bewijs leveren van indiciën die op vaste en onbetwistbare gegevens steunen. Enkel de vastgestelde vermogensaangroei tijdens het belastbaar tijdperk kan als indicie worden aangemerkt; niet de vermogenstoestand op een gegeven ogenblik.

Aangezien de bewuste rekeningen in 2004 waren geopend en het saldo per 31 december 2004 niet gekend was, kon de eventuele vermogensaangroei doorheen het jaar 2005 niet begroot worden. De administratie mag m.a.w. niet willekeurig één maand uit het jaar isoleren zonder rekening te houden met de volledige evolutie van het vermogen gedurende het belastbare tijdperk. Door dit wel te doen in het kader van een taxatie, miskent zij de op haar rustende bewijslast.

De algemene medewerkingsplicht van partijen in een geschil (artikel 8.4 BW) doet daaraan geen afbreuk. Dat de bankuittreksels werden opgevraagd maar niet verkregen, maakt het bewijs niet onmogelijk, en het zwijgrecht van de belastingplichtigen kan niet tot een herverdeling — laat staan een omkering — van de bewijslast leiden. Bij gebrek aan bewijs van een geldige indicie moeten de belastingplichtigen geen tegenbewijs leveren. De indiciaire taxatie werd aldus vernietigd.

Praktische relevantie

Wanneer u geconfronteerd wordt met een indiciaire taxatie, loont het de moeite om te controleren of de fiscus de op haar rustende bewijslast correct heeft ingevuld. Zelfs wanneer een banksaldo vaststaat, blijft de fiscus gehouden de juiste indiciën aan te tonen. Een momentopname van een rekeningsaldo volstaat niet, en het ontbreken van een gekende begintoestand speelt in het voordeel van de belastingplichtige.

Voetnoten — (1) Bewijs door tekenen en indiciën cfr. artikel 341 WIB92. (2) Cass. 29 januari 2021, F.18.0099.N.

Auteurs: Tayfun Anil, Christophe Dillen en Vincent Vercauteren (Tiberghien)

dotted_texture