23/07/26

Solden zonder seizoenen? De Raad van State vernietigt het verbod om buiten de officiële soldenperiodes reclame te maken met d…

Hoewel de zaken administratieve boetes betroffen die aan drie kledingwinkels waren opgelegd, hebben de arresten gevolgen die veel verder reiken dan de textielsector. Ze illustreren de verstrekkende gevolgen van het beginsel van maximale harmonisatie dat is vastgelegd in Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken (“Richtlijn OHP”) en roepen ruimere vragen op over de toekomst van verschillende traditionele kenmerken van het Belgische promotierecht, waaronder de sperperiodes die aan de officiële soldenperiodes voorafgaan.

Het Belgische recht heeft het gebruik van de term “solden” traditioneel voorbehouden aan de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes. Buiten die periodes bleven handelaars vrij om promotiecampagnes te organiseren, maar mochten ze die niet als “solden” omschrijven. Deze regeling had tot doel de betekenis van de officiële soldenperiodes te vrijwaren, de consument te beschermen en een eerlijke concurrentie tussen handelaars te waarborgen. Overtredingen konden aanleiding geven tot administratieve sancties opgelegd door de Economische Inspectie van de FOD Economie.

De procedures vloeiden voort uit controles bij kledingwinkels die kortingen aankondigden met het woord “solden” vóór de officiële soldenperiode. De handelaars betwistten de boetes voor de Raad van State.

De doorslaggevende juridische vraag was of artikel VI.25 van het Belgische Wetboek van economisch recht (“WER”) binnen de werkingssfeer van de Richtlijn OHP valt. Zo ja, dan kan België geen strengere nationale regels handhaven tenzij dit uitdrukkelijk door het Unierecht is toegestaan, gelet op het maximaleharmonisatiekarakter van de richtlijn.

De Belgische Staat voerde aan dat de bepaling uitsluitend een business-to-business-doelstelling nastreefde en dus buiten de Richtlijn OHP viel. De Raad van State verwierp dat argument en oordeelde dat het verbod, in het licht van de wetgeving, haar totstandkomingsgeschiedenis en de relevante rechtspraak, ook doelstellingen van consumentenbescherming nastreeft. Aangezien consumentenbescherming slechts één van de doelstellingen van een nationale maatregel hoeft te zijn opdat de Richtlijn OHP van toepassing is, concludeerde het rechtscollege — steunend op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Mediaprint, Wamo, INNO en Cdiscount) en eerdere arresten van het Belgische Hof van Cassatie — dat artikel VI.25 binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.

Zodra vaststond dat artikel VI.25 binnen de werkingssfeer van de Richtlijn OHP viel, werd de onverenigbaarheid ervan met het Unierecht onvermijdelijk. De richtlijn bevat een uitputtende lijst van handelspraktijken die automatisch mogen worden verboden. Een algemeen verbod op het gebruik van de term “solden” buiten de wettelijke periodes komt niet op die lijst voor en kan bijgevolg niet door nationale wetgeving worden gehandhaafd.

Door de boetes te vernietigen bevestigde de Raad van State dat de Belgische autoriteiten artikel VI.25 niet langer mogen handhaven tegen handelaars die de term “solden” buiten de wettelijke soldenperiodes gebruiken. Hoewel de bepaling formeel in het Wetboek van economisch recht blijft staan, is ze grotendeels onafdwingbaar geworden.

De arresten doen ook ernstige twijfel rijzen over de toekomst van de Belgische sperperiode. Deze beperkingen, die gelden tijdens de maand die aan de soldenperiodes voorafgaat in de sectoren kleding, schoenen en lederwaren, zijn bedoeld om de doeltreffendheid van de officiële soldenperiodes te vrijwaren door bepaalde vormen van kortingsreclame te beperken. Hoewel de Raad van State zich niet uitdrukkelijk over de wettigheid ervan heeft uitgesproken, lijkt zijn redenering zonder meer transponeerbaar, aangezien de sperperiode doelstellingen nastreeft die vergelijkbaar zijn met die welke aan artikel VI.25 ten grondslag liggen, namelijk consumentenbescherming, markttransparantie en eerlijke concurrentie. Aangezien het Belgische Hof van Cassatie die doelstellingen van consumentenbescherming reeds had erkend, staat de verenigbaarheid van de sperperioderegeling met de Richtlijn OHP nu ernstig ter discussie.

De arresten komen echter niet neer op een algemene deregulering van de promotionele reclame. De regels inzake prijsverminderingen, waaronder de regeling van de referentieprijs die is ingevoerd door Richtlijn (EU) 2019/2161 (de Omnibusrichtlijn), blijven onverkort van toepassing.

Handelaars moeten er dan ook op toezien dat referentieprijzen authentiek zijn, dat kortingen niet gebaseerd zijn op kunstmatige prijsverhogingen of misleidende vergelijkingen met aanbevolen verkoopprijzen, en dat beweringen over schaarste of urgentie stroken met de werkelijkheid. Niet-naleving kan nog steeds aanleiding geven tot administratieve sancties wegens misleidende handelspraktijken.

De arresten kunnen ook verder reiken dan de soldenterminologie. In het bijzonder zou de Belgische regel die handelaars toestaat om tijdens progressieve kortingsacties gedurende maximaal dertig dagen dezelfde referentieprijs te hanteren, zelf vatbaar kunnen worden voor betwisting, aangezien deze beperking niet uitdrukkelijk in de Omnibusrichtlijn voorkomt.

Ten slotte kunnen de beslissingen gevolgen hebben buiten België. Verschillende lidstaten reguleren het gebruik van soldenterminologie nog steeds via wettelijke soldenperiodes. De redenering van de Belgische Raad van State zou dan ook vergelijkbare betwistingen elders in de Europese Unie kunnen uitlokken. Of deze arresten uiteindelijk het begin inluiden van een bredere ontmanteling van de nationale promotieregels, valt nog af te wachten. Ze bevestigen niettemin dat de lidstaten geen beperkingen kunnen handhaven die binnen de werkingssfeer van de Richtlijn OHP vallen, tenzij dit uitdrukkelijk door het Unierecht is toegestaan, wat eens te meer de verstrekkende gevolgen van de maximale harmonisatie in het Europese consumentenrecht onderstreept.

Authors:

Luca Roscini, Partner at Andersen in Belgium

dotted_texture