08/10/26

Berichten opstellen met AI: wat moet je nou echt doen met de transparantieverplichting uit de AI Act?

Het gebruik van AI voor het opstellen van berichten op sociale media wint snel aan populariteit, ook bij politici, bestuurders en organisaties. Maar wat betekent dit juridisch? Sinds 2 augustus 2026 zijn de transparantieverplichtingen uit artikel 50 van de AI Act van kracht, en de Europese Commissie heeft onlangs richtsnoeren gepubliceerd over de uitleg hiervan. In dit artikel analyseert ICTRecht eerst wat artikel 50 precies voorschrijft, om dat vervolgens toe te passen op met AI gegenereerde berichten.

Welke onderdelen van artikel 50 zijn van belang?

Artikel 50 van de AI Act bevat vier verschillende transparantieverplichtingen, elk gericht op een specifiek type AI-systeem of de output daarvan. Lid 1 heeft betrekking op AI-systemen die rechtstreeks met mensen interacteren (zoals chatbots), en lid 3 op emotieherkenning en biometrische categorisering. Deze verplichtingen zijn voor dit verhaal niet relevant.

Op het eerste gezicht lijkt lid 2 relevant, aangezien dat lid gaat over het genereren van synthetische tekst. Echter, deze plicht rust op de aanbieder van het AI-systeem (de partij die het systeem ontwikkelt en op de markt brengt, zoals OpenAI of Anthropic), en niet op de gebruiker. Aanbieders zoals deze moeten ervoor zorgen dat de output machineleesbaar is gemarkeerd en herkenbaar is als AI-gegenereerd. Bovendien geldt voor systemen die al vóór 2 augustus 2026 op de markt waren een overgangstermijn tot 2 december 2026 op basis van de Digitale Omnibus voor AI. Voor de eindgebruiker van zo'n systeem brengt lid 2 dus geen verplichtingen met zich mee.

De essentie van deze kwestie ligt daarom bij lid 4. Dit lid richt zich op gebruiksverantwoordelijken: partijen die een AI-systeem onder eigen verantwoordelijkheid en voor professionele doeleinden inzetten. Lid 4 bevat twee specifieke verplichtingen: één voor deepfakes (audio, video en beeld) en één voor tekstuele inhoud. Omdat het bij het opstellen van sociale-mediaberichten om geschreven berichten gaat, is alleen die laatste relevant.

De tekstverplichting bij zaken van algemeen belang

Gebruiksverantwoordelijken van een AI-systeem dat tekst genereert of bewerkt die wordt gepubliceerd om het publiek te informeren over aangelegenheden van algemeen belang, moeten bekendmaken dat de tekst kunstmatig is gegenereerd of bewerkt. In paragraaf 6.2 van de richtsnoeren licht de Commissie de drie elementen van deze bepaling toe.

Ten eerste moet de tekst gepubliceerd zijn. Dat is het geval wanneer een onbepaald en vrij groot aantal lezers er toegang toe heeft. Interne communicatie of berichten in een kleine, besloten groep vallen daar niet onder. Berichten op een openbaar sociale-media-account voldoen hier zonder meer aan.

Ten tweede moet de tekst bedoeld zijn om het publiek te informeren. Het gaat dan om tekst die kennis, meningen of feiten overbrengt. Zeer korte teksten die inhoudelijk niets overbrengen, vallen erbuiten.

Ten derde moet het gaan om aangelegenheden van algemeen belang. De Commissie hanteert hier een ruime uitleg: onderwerpen die relevant zijn voor de samenleving en publiek debat verdienen. Expliciet genoemd worden onder meer politiek en democratische processen, openbaar bestuur, rechtspraak, grondrechten, volksgezondheid en economische, financiële en wetenschappelijke ontwikkelingen. Daarmee valt vrijwel alles waar politici en bestuurders zich in hun communicatie mee bezighouden binnen de reikwijdte van deze bepaling.

Ook als het gebruik plaatsvindt door voorlichters of andere medewerkers, blijft de verplichting bestaan. De richtsnoeren geven aan dat medewerkers die onder instructie van een organisatie werken, niet als afzonderlijke gebruiksverantwoordelijke worden aangemerkt. De verantwoordelijkheid ligt dan bij de organisatie of persoon onder wiens gezag het systeem wordt gebruikt.

In ieder geval sommige berichten van politici en bestuurders zullen binnen de reikwijdte van lid 4 vallen: het gaat immers om publieke berichten over onderwerpen van groot maatschappelijk belang. De crux is dan niet of lid 4 van toepassing is, maar of de uitzondering geldt.

De uitzondering: de menselijke toets en redactionele controle

Lid 4 bevat echter een cruciale uitzondering: de bekendmaking is niet nodig wanneer de AI-content een proces van menselijke toetsing of redactionele controle heeft ondergaan én een natuurlijke of rechtspersoon de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de publicatie. Beide voorwaarden moeten cumulatief aan de orde zijn. Paragraaf 6.2.3 van de richtsnoeren verduidelijkt dit.

Menselijke toetsing houdt in dat personen met de juiste expertise de inhoud bewust beoordelen. Fact-checking is hierbij een minimumvereiste. De Commissie is duidelijk over wat niet volstaat: een loutere controle op spelling of grammatica, het simpelweg hanteren van een redactioneel beleid, geautomatiseerde controles of een vluchtige goedkeuring zonder inhoudelijke betrokkenheid. Bovendien vervalt de uitzondering zodra de AI na de menselijke controle nog inhoudelijke aanpassingen doet.

Redactionele verantwoordelijkheid betekent dat een persoon of organisatie de uiteindelijke controle en verantwoordelijkheid draagt voor de publicatie. De richtsnoeren stellen dat de identiteit van de verantwoordelijke voor de lezer eenvoudig vindbaar moet zijn.

De redactionele verantwoordelijkheid is bij berichten op een persoonlijk of organisatie-account doorgaans eenvoudig vast te stellen: de berichten worden geplaatst op het account van de betrokken persoon of organisatie.

Het echte knelpunt is de menselijke toetsing. Of menselijke toetsing juridisch volstaat, hangt volledig af van de uitvoering. Bedoelt men: ik las het en vond het mooi klinken? Of zat er een factchecker naast die goedkeuring gaf? En hoe kún je een individueel sociaal-mediabericht eigenlijk 'controleren'? De richtsnoeren gaan immers uit van nieuwsberichten waar wat aan te checken valt.

Als voor de plaatsing een medewerker of de accounthouder de inhoud daadwerkelijk checkt, de feiten controleert en de tekst echt 'eigen' maakt, dan is de transparantieverplichting nageleefd. Wordt de tekst echter alleen vluchtig gescand op toon en spelling voordat er op 'versturen' wordt geklikt, dan is dat volgens de richtsnoeren onvoldoende.

Conclusie

Het gebruik van AI voor het opstellen van publieke berichten over maatschappelijke onderwerpen valt in beginsel onder de bekendmakingsplicht van artikel 50 lid 4 van de AI Act. Met de juiste menselijke toetsing is er echter geen probleem met de transparantieverplichting. De uitzondering voor redactionele verantwoordelijkheid en menselijke controle is juist bedoeld voor dit soort situaties. Zolang er sprake is van een inhoudelijke menselijke controle en de publicatie in naam van de verantwoordelijke persoon of organisatie geschiedt, werkt men in lijn met de AI Act.

Er speelt hier echter nog wel een kwestie van timing. De AI Act is pas van kracht sinds 2 augustus 2026. Teksten die vóór die datum zijn gepubliceerd, hoeven niet met terugwerkende kracht te worden gelabeld.

Voor organisaties die AI inzetten voor externe communicatie is dit een belangrijk signaal: de uitzondering is geen vrijbrief. Een snelle blik is niet genoeg; fact-checking is vereist. Het advies is dan ook om het controleproces bij AI-gegenereerde content goed te borgen en vast te leggen. Zo niet, dan is het verstandiger om AI-teksten over maatschappelijke zaken simpelweg te labelen als AI-gegenereerd.

Authors:

  • Abel Hoogeveen, Legal Counsel at ICTRecht
dotted_texture