Kan een Belgische franchisenemer zich tot de Belgische rechter wenden wanneer hij meent dat hij vóór de ondertekening van de franchiseovereenkomst onvoldoende werd geïnformeerd? Of kan een buitenlandse franchisegever zich toch op een arbitragebeding beroepen, ook wanneer de samenwerking hoofdzakelijk in België wordt uitgevoerd?
De Belgische Wet Precontractuele Informatie verplicht franchisegevers en andere aanbieders van commerciële samenwerkingsformules om kandidaat-contractspartijen vooraf uitgebreid te informeren. Bij niet-naleving kunnen de gevolgen zwaar zijn, tot en met de nietigheid van de overeenkomst.
Tegelijk kiezen internationale franchisegevers in hun contracten vaak voor buitenlands recht, buitenlandse rechtbanken of arbitrage. Daardoor ontstaat een spanningsveld tussen de Belgische bescherming van de franchisenemer en de contractuele keuze van partijen om geschillen elders of anders te laten beslechten.
Met een vonnis van 26 juni 2026 bevestigt de Ondernemingsrechtbank Antwerpen dat een geldig arbitragebeding ook geschillen over de Belgische Wet Precontractuele Informatie kan omvatten. Daarmee trekt de rechtbank de lijn door die het Hof van Cassatie eerder, in zijn arrest van 7 april 2023 over de Belgische Alleenverkoopwet, had uitgezet. U kunt het vonnis van de Antwerpse Ondernemingsrechtbank hier lezen.
De draagwijdte van artikel X.33 WER
Artikel X.33 WER bepaalt dat wanneer een franchiseovereenkomst hoofdzakelijk in België wordt uitgevoerd, de franchisenemer de bescherming van de Belgische precontractuele informatieplicht niet kan verliezen door een contractuele keuze voor buitenlands recht. De bepaling bepaalt bovendien dat de Belgische rechtbanken kennis kunnen nemen van dergelijke geschillen.
Oudere rechtspraak leidde daaruit af dat de Belgische wetgever niet alleen de inhoudelijke bescherming van kandidaat-franchisenemers wilde waarborgen, maar ook wilde vermijden dat die bescherming werd uitgehold door een buitenlandse rechtskeuze of forumkeuze.
In internationale franchisegeschillen werd artikel X.33 WER dan ook regelmatig ingeroepen om de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken te verantwoorden, ondanks het bestaan van arbitrage- of forumkeuzebedingen.
De vraag was echter of die traditionele lezing nog verenigbaar was met de recente evolutie van het internationaal privaatrecht en de Belgische cassatierechtspraak inzake de Alleenverkoopwet.
Van de Alleenverkoopwet naar de Wet Precontractuele Informatie
Het belang van het Cassatiearrest van 7 april 2023 kan moeilijk worden overschat. In die zaak moest het Hof zich uitspreken over een exclusieve distributieovereenkomst die onderworpen was aan Oostenrijks recht en een arbitrageclausule ten gunste van arbitrage in Wenen bevatte. De Belgische distributeur argumenteerde dat de Belgische Alleenverkoopwet (artikelen X.35 e.v. WER) aan arbitrage in de weg stond.
Het Hof van Cassatie volgde die redenering niet en trok daarbij twee afzonderlijke conclusies. Ten eerste oordeelde het Hof dat een geschil over de beëindiging van een concessieovereenkomst een vermogensrechtelijk geschil is en dus in beginsel vatbaar is voor arbitrage. Ten tweede besliste het Hof dat de artikelen X.35 tot X.40 WER, hoewel zij dwingende regels bevatten, geen bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn in de zin van artikel 9.1 van de Rome I-Verordening. De Belgische Alleenverkoopwet beschermt in de eerste plaats private belangen van de concessiehouder en is niet noodzakelijk voor de bescherming van fundamentele publieke belangen van de Belgische staat.
Daaruit volgde dat de Belgische rechter het door partijen gekozen buitenlandse recht niet terzijde kan schuiven louter omdat de Belgische Alleenverkoopwet aan de concessiehouder bescherming biedt. Even belangrijk voor de franchiserechtelijke context is dat het Hof de arbitreerbaarheid van het geschil niet afhankelijk stelde van de voorwaarde dat de arbiters de Belgische wet, of een gelijkwaardige buitenlandse bescherming, zouden toepassen.
Ook de Wet Precontractuele Informatie heeft een uitgesproken beschermingsdoel. Zij verplicht de franchisegever om uitgebreide informatie te verstrekken vóór de ondertekening van de overeenkomst en voorziet zware sancties bij niet-naleving. De vraag was echter of deze bescherming daardoor automatisch ook een bijzonder dwingend karakter krijgt in de internationale context.
Ook geschillen over de Wet Precontractuele Informatie zijn arbitreerbaar
In de zaak die aanleiding gaf tot het vonnis van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen had de Belgische franchisenemer zich onder meer beroepen op een vermeende schending van de Belgische precontractuele informatieplicht. De franchiseovereenkomst bevatte evenwel een ruime arbitrageclausule en een keuze voor Indiaas recht.
De franchisenemer argumenteerde dat de bescherming van de Wet Precontractuele Informatie en artikel X.33 WER ertoe moest leiden dat de Belgische rechter bevoegd bleef om kennis te nemen van het geschil.
De rechtbank volgde die redenering niet.
Vooreerst stelde de rechtbank vast dat het arbitragebeding voldoende ruim was geformuleerd om ook geschillen over de precontractuele fase van de samenwerking te omvatten. Vervolgens sloot zij aan bij de principes die het Hof van Cassatie had ontwikkeld in het arrest van 7 april 2023. De rechtbank besloot dat het geschil aan arbitrage kon worden onderworpen en verklaarde zich zonder rechtsmacht.
Hoewel de rechtbank niet uitdrukkelijk stelt dat de Wet Precontractuele Informatie geen bijzonder dwingend recht is, lijkt dat wel het onvermijdelijke gevolg van haar beslissing. Indien de Wet Precontractuele Informatie wél als bijzonder dwingend recht zou worden beschouwd, had zij in principe kunnen volstaan om arbitrage uit te sluiten en had de rechtbank zich op grond van artikel X.33 WER bevoegd moeten verklaren.
Wat betekent dit voor internationale franchisegevers?
Samen met het Cassatiearrest inzake alleenverkoop bevestigt het vonnis een bredere tendens binnen het Belgische distributierecht. Traditionele beschermingswetten worden in een internationale context niet langer automatisch beschouwd als instrumenten waarmee een buitenlandse arbitrageclausule of rechtskeuze buiten werking kan worden gesteld.
Voor ondernemingen die internationaal werken met distributeurs, franchisenemers of andere commerciële partners onderstreept deze rechtspraak opnieuw het belang van een doordachte regeling inzake toepasselijk recht, forumkeuze en arbitrage. Dergelijke clausules worden tijdens contractonderhandelingen soms als louter technische bepalingen beschouwd. In een geschil blijken zij echter vaak bepalend voor de verdere strategie van partijen.
Authors:
- Willem De Vos, Monard Law
- Daan De Jaeger, Monard Law