Vaak wordt in een omgevingsvergunningsaanvraag verwezen naar geplande infrastructuurwerken, zoals een kruispunt dat zal heraangelegd worden of een nieuwe fietsverbinding die in de pipeline zit. In een arrest van 20 augustus 2026 stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen nu duidelijke grenzen. Wie zijn vergunning laat steunen op onzekere plannen, bouwt mogelijk op drijfzand.
De zaak in het kort
Een Belgische investeringsmaatschappij wil op Campus Drie Eiken (Edegem) van de Universiteit Antwerpen een nieuwe 'Bioscape Campus' ontwikkelen, ook wel Bioscape Antwerpen genoemd. Het betreft een nieuw onderzoekscentrum van circa 28.000 m², bestaande uit één centraal community-gebouw van 9.987 m² en twee accelerator gebouwen van elk 8.600 m², hoofdzakelijk gericht op de levenswetenschappen.
Op 5 september 2025 besliste de Vlaamse Regering, in graad van beroep, om voor dit project een vergunning te verlenen, ondanks een ongunstig advies van de Gewestelijke Omgevingsvergunningscommissie (GOVC) over onder meer het aspect van de mobiliteit. Een omwonende vocht de vergunning aan bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).
Bij arrest van 20 augustus 2026 (nr. RVVB-2526-1079) vernietigde de Raad deze vergunning, en wel omdat de mobiliteitsbeoordeling onvoldoende zorgvuldig was. De Vlaamse Regering moet binnen drie maanden een nieuwe beslissing nemen over het bestuurlijk beroep in het Bioscape-dossier.
Reken niet op onzekere toekomstplannen
In deze zaak stelde het mobiliteitseffectenrapport (MOBER) bij de aanvraag vast dat het kruispunt van de Drie Eikenstraat met de Doornstraat vandaag al met verkeersproblemen kampt, en dat de verkeersveiligheid van fietsers er verbetering behoeft.
Zowel in het MOBER maar ook in de latere vergunningsbeslissing werd deze erkende problematiek gerelativeerd door te verwijzen naar een toekomstige heraanleg van de Doornstraat en het kruispunt, die de verkeersafwikkeling zou verbeteren en de fietsveiligheid zou verhogen.
Maar die heraanleg was nog niet vergund. Uit het dossier bleek zelfs niet dat al een vergunningsaanvraag was ingediend voor deze geplande infrastructuurwerken. Het was dus onzeker of en wanneer de werken zouden worden uitgevoerd.
Volgens de Raad kon de Vlaamse Regering daar niet zonder meer op steunen. De mobiliteitsbeoordeling moet namelijk gebaseerd zijn op bestaande en concrete feiten die zorgvuldig zijn vastgesteld. Een toekomstige en onzekere ontwikkeling kan niet als een vaststaand gegeven worden behandeld wanneer ze een wezenlijk onderdeel vormt van de beoordeling.
Ook een parkeeroplossing moet concreet zijn
Daarnaast voorziet het project 296 autoparkeerplaatsen. Voor het dagelijkse gebruik werd in het MOBER een behoefte van 288 plaatsen berekend. Bij grotere evenementen was er volgens de Vlaamse Regering echter onvoldoende parkeercapaciteit.
Als mogelijke oplossing verwees de regering naar een bestaande parking op Campus Drie Eiken op ongeveer 300 meter van de site. Alleen werden over het gebruik van deze parking nog geen concrete afspraken gemaakt met de Universiteit Antwerpen. De regering stelde zelf dat dit nog verder moest worden uitgewerkt.
Volgens de Raad volstond ook dat niet. Een bestaand parkeerprobleem kan immers niet als opgelost worden beschouwd door te verwijzen naar een oplossing die nog moet worden besproken, en waarvoor geen concrete afspraken in het dossier zitten.
De praktische les
De regelgeving vereist dat de mobiliteitsbeoordeling van een project steunt op voldoende concrete en zorgvuldig vastgestelde gegevens.
Voor toekomstige infrastructuurwerken betekent dit vooral dat hoe belangrijker de geplande werken zijn voor de mobiliteitsbeoordeling, hoe belangrijker het is dat hun uitvoering voldoende zeker en concreet is.
Hetzelfde geldt voor oplossingen die afhangen van derden. Als een project bijvoorbeeld rekent op een parking, infrastructuur of andere maatregel van een andere partij, moet duidelijk zijn dat die oplossing daadwerkelijk beschikbaar zal zijn.
Wat betekent dit voor u?
Bij projecten met een belangrijke verkeers- of parkeerimpact is het niet voldoende om in een MOBER te verwijzen naar wat er in de toekomst misschien zal gebeuren.
Breng daarom tijdig in kaart:
- welke infrastructuurwerken noodzakelijk zijn voor een aanvaardbare mobiliteitsimpact;
- hoe zeker de uitvoering daarvan is; en
- of afspraken met derden daadwerkelijk zijn gemaakt en in het vergunningsdossier kunnen worden aangetoond.
Voor vergunningverlenende overheden is de boodschap dat een gunstige mobiliteitsbeoordeling moet steunen op concrete, verifieerbare gegevens en niet op nog onzekere toekomstplannen.
Authors:
- Matias Osorio Olivera, Counsel at Andersen in Belgium
- Yves Sacreas, Senior Counsel at Andersen in Belgium