16/06/26

De toepassing van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 3° WIB92 in het geval van een geseponeerd strafrechtelijk…

In een arrest van 21 mei 2026 heeft het Hof van Cassatie uitspraak gedaan over 2 belangrijke procedurekwesties in fiscale zaken.

Een eerste kwestie betreft de toepassing van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 3° WIB92 in het geval van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek dat resulteert in een seponeringsbeslissing.

Een tweede kwestie houdt verband met het openbare-ordekarakter van belastingen en de verhouding ervan met het beschikkingsbeginsel. Concreet wordt uitspraak gedaan over de vraag in welke mate een rechter ambtshalve dient na te gaan of een betwiste aanslag kan worden gehandhaafd.

In dit artikel wordt bondig ingegaan op de eerste kwestie. De tweede kwestie maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk artikel.

1. De bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 3° WIB92

In toepassing van artikel 358, § 1, 3° WIB92 mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn van 3 of 7 jaar verstreken is, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren voor het jaar waarin de vordering is ingesteld.

Conform artikel 358, § 2, 2° WIB92 is er een termijn van 12 maanden om de aanslag te vestigen te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend.

2. Geen toepassing in het geval van een geseponeerd strafrechtelijk opsporingsonderzoek

In het verleden werd reeds geargumenteerd dat de bijzondere aanslagtermijn niet kan worden toegepast in het geval van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek uitgevoerd door het Parket, uitgedraaid op een seponering, bij gebrek aan startpunt van de aanslagtermijn.

In een arrest van 23 februari 2018 had het Hof van Cassatie immers geoordeeld dat de beslissing tot seponering geen beslissing is die het voorwerp is van die rechtsvordering in de zin van artikel 358, §1, 3° WIB92 (Cass. 23 februari 2018, F.17.0078.F).

Vervolgens oordeelde het Grondwettelijk Hof in een arrest van 10 november 2022 (GwH 10 november 2022, nr. 144/2022) dat artikel 358, §1, 3° en §2, 2° WIB92 niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in de interpretatie dat, in geval van seponering van de strafvordering die is ingesteld door het openen van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, geen enkele termijn waarin de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd, een aanvang neemt. Het kan immers niet worden aanvaard dat een belastingplichtige wiens fiscale situatie wordt herzien voor onbepaalde tijd in het ongewisse wordt gelaten.

Niettegenstaande deze rechtspraak was de belastingadministratie van oordeel dat de bijzondere aanslagtermijn nog steeds kon worden toegepast in het geval van een geseponeerd strafrechtelijk opsporingsonderzoek. Om de kritiek van het Grondwettelijk Hof op te vangen argumenteerde zij o.a. dat er een alternatief startpunt kon worden gehanteerd voor de aanslagtermijn (zijnde de verjaring van de strafvordering) of dat de aanslag in ieder geval zou mogen worden gevestigd binnen een 'redelijke termijn'.

In een arrest van 26 maart 2025 bevestigde het Hof van Beroep van Brussel echter dat de gecombineerde toepassing van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof tot de conclusie leidt dat de bijzondere aanslagtermijn niet kan worden toegepast in het geval van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek uitgevoerd door het Parket, uitgedraaid op een seponering.

Hoewel de minister van Financiën zich in een antwoord op een parlementaire vraag aansloot bij deze uitspraak van het Hof van Beroep te Brussel werd tegen dit arrest toch een voorziening in cassatie ingediend. Hoewel deze tegenstrijdigheid vragen oproept, maakt zij niet het voorwerp uit van dit artikel.

In het arrest van 21 mei 2026 sluit het Hof van Cassatie zich aan bij de uitspraak van het Hof van Beroep te Brussel en maakt zij een einde aan deze discussie.

Of toch niet?

3. Belang van het tijdstip van de beslissing tot seponering?

In de tussentijd heeft het Hof van Beroep te Gent immers binnen dezelfde context een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

In de procedure voor het Hof van Beroep te Gent werd in toepassing van artikel 358, § 1, 3° WIB92 een aanslag gevestigd voorafgaand aan de beslissing tot seponering. Rekening houdend met voormelde rechtspraak argumenteert de belastingplichtige dat deze aanslag nietig is, ongeacht het feit dat de aanslag werd gevestigd vooraleer tot seponering werd overgegaan. Immers, zowel wanneer de aanslag werd gevestigd vooraleer de beslissing tot seponering werd genomen als wanneer de aanslag werd gevestigd na de beslissing tot seponering neemt geen enkele termijn waarbinnen de (aanvullende) aanslag moet worden gevestigd een aanvang. Volgens de belastingadministratie is voormelde rechtspraak enkel relevant wanneer de aanslag wordt gevestigd na de beslissing tot seponering.

Het Hof van Beroep te Gent stelt de vraag of de toepassing van deze bijzondere aanslagtermijn in deze concrete situatie een schending vormt van het Grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, desgevallend in combinatie met het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid (artikel 6 EVRM) en het recht op eigendom en het voorzienbaarheidsbeginsel (artikel 1 van het eerste aanvullende protocol bij het EVRM).

In de conclusie bij het hier besproken arrest van 21 mei 2026 neemt de Advocaat-generaal alvast de stelling in dat ook de belastingplichtigen ten aanzien van wie voor de seponering of korte tijd erna een aanslag wordt gevestigd binnen het kader van artikel 358, §1, 3° WIB92 nog steeds voor onbepaalde tijd in het ongewisse worden gelaten over hun fiscale positie. In het licht van het voormelde arrest van 10 november 2022 van het Grondwettelijk Hof meent de Advocaat-generaal dat artikel 358, §1, 3° WIB92 ook in deze situatie niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Het valt af te wachten of het Grondwettelijk Hof in dezelfde zin zal oordelen, maar dit zou toch wenselijk zijn. Er mag immers niet uit het oog worden verloren dat de bijzondere aanslagtermijnen uitzonderingen vormen op de gewone en buitengewone aanslagtermijnen van artikel 354 WIB92 en derhalve strikt moeten worden geïnterpreteerd. Op basis van de buitengewone aanslagtermijn beschikt de belastingadministratie (in het geval van fraude) reeds over een termijn van 7 jaar om fiscale rechtzettingen te doen. De bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 3° WIB92 kan vervolgens worden voorbehouden voor de situaties waarin een strafrechtelijk opsporingsonderzoek resulteert in een gerechtelijk onderzoek of in een vervolging.

Bij een fiscale navordering dient steeds zorgvuldig te worden toegezien op de naleving van de procedurele waarborgen van de belastingplichtige.

Authors:

Pieterjan Smeyers, Tax Partner at Andersen in Belgium

dotted_texture