De Advocaat-generaal beantwoordt de vraag of de vrijstelling van bronheffing onder de Moeder‑Dochterrichtlijn kan worden geweigerd, zelfs wanneer de ontvangende vennootschap niet-kunstmatig is en de uiteindelijke gerechtigde (beneficial owner) van de dividenden. Uit de opinie blijkt dat er bij een winstuitkering door een dochtervennootschap aan haar moedervennootschap (die de uiteindelijke gerechtigde van de dividenden is) in beginsel geen sprake is van misbruik. Dit kan niettemin zeer uitzonderlijk toch het geval zijn indien de dividendstroom deel uitmaakt van een globale kunstmatige constructie (“an overall non-genuine arrangement”) die erop gericht is een fiscaal voordeel te verkrijgen in strijd met het doel van de Richtlijn.
Deze opinie van de Advocaat-generaal is zeer interessant voor internationale groepsstructuren, waaronder holdingvennootschappen.
Achtergrond
Sinds de Deense arresten (gevoegde zaken C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16, C‑299/16, C‑116/16 en C‑117/16) worden de vrijstellingen van bronheffing op basis van zowel de Moeder‑Dochterrichtlijn als de Interest‑ en Royaltyrichtlijn met verhoogde aandacht gecontroleerd door nationale belastingadministraties.
Hierbij worden niet enkel complexe internationale groepsstructuren geviseerd, maar ook eenvoudige holdingstructuren.
De vrijstelling van bronheffing kan niet alleen worden geweigerd in gevallen van misbruik, maar ook (hoewel betwistbaar) indien de ontvanger van de dividenden, interesten of royalty’s niet kan worden beschouwd als de uiteindelijke gerechtigde (beneficial owner) van de inkomsten.
Er kan sprake zijn van misbruik in de zin van de Moeder-dochterrichtlijn in het geval van een constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is. Een constructie is kunstmatig voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
Uit de Deense arresten volgde in essentie dat dergelijk misbruik voorhanden kan zijn indien de vennootschap die aanspraak wenst te maken op de vrijstelling van bronheffing niet kan worden beschouwd als de economische begunstigde van de ontvangen inkomsten, maar louter optreedt als een doorstroomvennootschap.
Bij de beoordeling van internationale groepsstructuren mogen in eerste instantie een aantal belangrijke principes die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie niet uit het oog worden verloren :
- De vestiging van de statutaire of werkelijke zetel van een vennootschap overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat, met het doel van een gunstigere wetgeving te profiteren, levert op zichzelf geen misbruik op.
- Een belastingplichtige is, wanneer hij kan kiezen tussen twee mogelijkheden, niet verplicht de mogelijkheid te kiezen die leidt tot de hoogste belasting, maar heeft hij juist het recht om zijn activiteit zodanig te organiseren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft. Derhalve staat het een belastingplichtige in het algemeen vrij om de organisatorische structuren en die voorwaarden voor een transactie te kiezen die hij het meest geschikt acht om zijn economische activiteiten uit te oefenen en om de op hem rustende belastingdruk te verlichten.
- Het feit dat de activiteit van een holding enkel bestaat in het beheren van activa en dat de inkomsten uitsluitend uit dat beheer voortvloeien, impliceert niet dat er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit.
Er is echter geen sprake van misbruik indien deze vennootschap een werkelijke economische activiteit uitoefent en de economische begunstigde is van de ontvangen inkomsten.
Opinie van de Advocaat-generaal
In haar opinie benadrukt de Advocaat-generaal een aantal belangrijke principes die relevant zijn voor internationale holdingstructuren.
Zoals eerder aangegeven, valt een holdingvennootschap buiten het toepassingsgebied van de algemene antimisbruikbepaling van de Moeder‑Dochterrichtlijn indien zij een werkelijke economische activiteit uitoefent en de economische begunstigde is van de ontvangen inkomsten. Dit laatste neemt geenszins weg dat deze vennootschap de ontvangen inkomsten niet op haar beurt zou mogen uitkeren. Doorslaggevend is dat de vennootschap werkelijk over de ontvangen inkomsten moet kunnen beschikken en geen vooraf bepaalde verplichting heeft om ze opnieuw uit te keren.
De Advocaat‑generaal benadrukt dat uit het enkele feit dat de moedervennootschap (als economische begunstigde) de ontvangen dividenden wederuitkeert, geen kunstmatige constructie en dus geen misbruik van de richtlijn kan worden afgeleid. Bovendien doet de overeenstemming van de bedragen die binnen deze keten worden uitgekeerd of een korte tijdspanne tussen ontvangst en doorstorting geen afbreuk aan deze beoordeling.
De uitkering van dividenden binnen een groep vennootschappen aan de controlerende moedervennootschap, die haar winst uiteindelijk uitkeert aan één of meerdere natuurlijke personen, is inderdaad gangbaar binnen de normale werking van een onderneming. Het is immers precies de bedoeling van een vennootschap om winst te genereren en deze uit te keren aan haar aandeelhouders.
De Advocaat-generaal wijst er niettemin op dat er – zelfs in de gegeven omstandigheden – toch sprake kan zijn van misbruik van de Moeder‑Dochterrichtlijn wanneer de uitkering door de dochtervennootschap aan de moedervennootschap – die op zichzelf de economische realiteit weerspiegelt – deel uitmaakt van een globale kunstmatige constructie.
Een dergelijke situatie zal zich echter slechts zeer uitzonderlijk voordoen en moet bijgevolg werkelijk als een uitzondering worden beschouwd op de algemene regel dat er geen sprake is van misbruik indien de moedervennootschap de economische begunstigde is van de dividenden.
De aanwezigheid van een globale kunstmatige constructie veronderstelt een onderzoek naar alle relevante omstandigheden. Daaronder vallen ook omstandigheden die zich voordoen vóór of na de winstuitkering, eventueel in een andere lidstaat. Dit beginsel werd reeds vastgesteld in de zaak Nordcurrent Group (C‑228/24).
Volgens de Advocaat‑generaal kan een dergelijke globale kunstmatige constructie slechts aanwezig zijn indien de uitkering door de dochtervennootschap aan de moedervennootschap kan worden gelinkt aan belastingontduiking, hetgeen een overtreding van de wet impliceert. In gevallen waarin de uitkering door de dochtervennootschap aan de moedervennootschap enkel kan worden gelinkt aan een mogelijk misbruik van het nationaal belastingrecht binnen een lidstaat, is het aan de betrokken lidstaat om dit misbruik te bestrijden op basis van zijn eigen belastingrecht, zodat er geen nood is aan een beroep op het Unierecht.
Als voorbeeld wordt verwezen naar de situatie waarin een dochtervennootschap dividenden uitkeert aan haar moedervennootschap (als economische begunstigde) met het oog op het verhullen ervan via verdere verrichtingen door middel van ‘niet‑coöperatieve offshore rechtsgebieden’, met als gevolg dat de woonstaat van de uiteindelijke begunstigde geen informatie ontvangt over de uiteindelijke uitkering en deze derhalve niet kan belasten.
Er zal dus geen sprake zijn van een globale kunstmatige constructie indien de staat (of staten) waarin de uiteindelijke uitkering door de moedervennootschap van de groep aan haar aandeelhouder plaatsvindt, deze uitkering kan (of kunnen) belasten binnen de uitoefening van zijn (hun) fiscale autonomie (wat ook een belastingvrijstelling kan inhouden). Enkel indien deze mogelijkheid wordt ontnomen en de belastingheffing van de uiteindelijke uitkering, die normaliter is voorzien, wordt gefrustreerd, zou het niet passend zijn om het belastingvoordeel uit hoofde van de Richtlijn toe te kennen.
Besluit
Hoewel deze conclusie van de Advocaat‑generaal ons zeer waardevolle inzichten biedt, moet de uitspraak van het Hof worden afgewacht alvorens hier definitieve conclusies uit te trekken.
Echter, rekening houdend met de overige rechtspraak van het Hof van Justitie, bevestigt deze opinie wel het standpunt dat holdingstructuren buiten het toepassingsgebied van de algemene antimisbruikbepaling van de Moeder‑Dochterrichtlijn blijven, op voorwaarde dat zij een werkelijke economische activiteit uitoefenen en de economische begunstigde zijn van de ontvangen inkomsten.
Bij het oprichten van een dergelijke structuur moet dus – zoals steeds – bijzondere aandacht worden besteed aan de aanwezigheid van voldoende substantie die het toelaat om de economische activiteit op een onafhankelijke wijze uit te oefenen.