In zijn arrest van 3 februari 2026 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen belangrijke verduidelijkingen gegeven over de toepassing van de Belgische antimisbruikbepalingen op aandelentransacties die plaatsvinden in het kader van een groepsherstructurering.
Feiten
De zaak betrof een Belgische groep actief in de zorghuisvestigingssector. In het kader van een ruimere reorganisatie werd een Belgische groepsvennootschap partieel gesplitst, waarbij de operationele activiteiten werden afgesplitst van de (zorg)vastgoedactiva en overgedragen aan een andere reeds bestaande groepsentiteit. Nadien werden de aandelen van de gesplitste vennootschap die het zorgvastgoed aanhield, verkocht aan een externe investeerder in het kader van een sale‑and‑lease‑backtransactie.
Op deze verkoop realiseerde de Belgische holdingvennootschap een meerwaarde van iets meer dan 10 miljoen euro, waarvoor zij de vrijstelling van meerwaarden op aandelen overeenkomstig artikel 192, §1 WIB 92 inriep. De Belgische fiscale administratie weigerde deze vrijstelling echter, stellende dat de structuur kunstmatig een belastbare vastgoedtransactie (“asset deal”) had omgezet in een vrijgestelde aandelentransactie (“share deal”).
Volgens de administratie viel de verrichting zowel onder de specifieke antimisbruikbepaling die voortvloeit uit de moeder‑dochterrichtlijn (artikel 203, §1, 7° WIB 92) als onder de algemene antimisbruikbepaling (artikel 344, §1 WIB 92). De fiscale neutraliteit van de partiële splitsing stond niet ter discussie.
De holdingvennootschap was het niet eens met het standpunt van de administratie en legde de zaak daarom voor aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, die het standpunt van de belastingplichtige volledig volgde in haar vonnis nr. 22/4610/A van 25 maart 2024. De administratie stelde vervolgens hoger beroep in bij het hof van beroep te Antwerpen.
Beslissing
Het hof van beroep verwierp de argumenten van de administratie en bevestigde volledig de beslissing in eerste aanleg in het voordeel van de belastingplichtige.
Het hof oordeelde dat de combinatie van een partiële splitsing gevolgd door een aandelentransactie in casu geen kunstmatige constructie vormde. De structuur was volgens het hof gebaseerd op reële economische overwegingen en viel bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de antimisbruikbepalingen.
Kernoverwegingen
Verschillende elementen bleken doorslaggevend in de redenering van het hof:
- De verrichtingen maakten geen op zichzelf staande verrichtingen uit, maar vormden onderdeel van een meerjarig plan om de groep te herstructureren door het vastgoed en de operationele activiteiten van elkaar te scheiden.
- De verkoop stelde de holdingvennootschap in staat liquiditeiten vrij te maken, bankfinanciering aan te trekken en verdere investeringen te ondersteunen. Het hof stelde vast dat de opbrengsten effectief werden gebruikt om te herinvesteren. De holdingvennootschap investeerde het zesvoudige van de verkoopopbrengst voornamelijk in afschrijfbare activa.
- Het hof benadrukte dat de holdingvennootschap nooit rechtstreeks eigenaar was geweest van het onderliggende vastgoed. Een aandelentransactie kon dus niet worden gelijkgesteld met een rechtstreekse verkoop van het vastgoed. Bij gebrek aan aanwijzingen van simulatie moet de fiscale administratie volgens het hof de afgescheiden rechtspersonen respecteren.
- Het hof verwierp de aanname van de administratie dat een “asset deal” economisch gelijkwaardig is aan een “asset deal”. Het wees op verschillen inzake waardering, juridische gevolgen en kasstroomallocatie.
- De gehanteerde structuur waarborgde de continuïteit van bestaande contracten (waaronder 13 lopende overeenkomsten met oog op een grondige herinrichting van het vastgoed) en vermeed potentiële verstoringen die zich bij een “asset deal” hadden kunnen voordoen.
- Het Hof erkende dat aandelentransacties een courante praktijk vormen in Belgische vastgoedtransacties en op zichzelf geenszins als fiscaal misbruik kunnen worden beschouwd.
Conclusie
Dit arrest bevestigt dat de keuze voor een aandelentransactie boven een vastgoedtransactie op zichzelf geen fiscaal misbruik uitmaakt, zelfs indien die keuze leidt tot gunstigere fiscale gevolgen. Wanneer een verrichting wordt gedragen door reële zakelijke motieven en de economische realiteit weerspiegelt, blijven Belgische rechtbanken terughoudend om dergelijke verrichtingen fiscaal te herkwalificeren.
Deze benadering ligt volledig in lijn met wat wij reeds vóór deze uitspraak consequent naar voor brachten: degelijk onderbouwde herstructureringen dienen dergelijke antimisbruik uitdagingen te kunnen doorstaan.
Het arrest herinnert er ook aan dat de bewijslast bij de fiscale administratie ligt om het bestaan van een kunstmatige constructie aan te tonen — iets wat de administratie in deze zaak niet overtuigend heeft kunnen doen.
Wordt u geconfronteerd met zogenaamde “gemengde vennootschappen”, waarin zowel vastgoed als operationele activiteiten zitten? Overweegt u een verkoop, herstructurering of sale‑and‑lease‑back, waarbij mogelijk een voorafgaande “carve‑out” nodig is? Neem dan zeker contact met ons op voordat u stappen onderneemt. Hoewel dit arrest een positief signaal geeft voor belastingplichtigen, toont de zaak opnieuw dat de fiscale administratie deze structuren niet automatisch accepteert en geregeld antimisbruik argumenten inroept. Een correcte voorbereiding, heldere zakelijke motivering en zorgvuldige documentatie zijn daarom cruciaal om discussies zoveel mogelijk te vermijden en in procedures gelijk te halen.