In een arrest van 21 mei 2026 heeft het Hof van Cassatie uitspraak gedaan over 2 belangrijke procedurekwesties in fiscale zaken.
Een eerste kwestie betreft de toepassing van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 3° WIB92 in het geval van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek dat resulteert in een seponeringsbeslissing.
Een tweede kwestie houdt verband met de vraag in welke mate een rechter ambtshalve dient na te gaan of een betwiste aanslag kan worden gehandhaafd. Concreet betrof het de situatie waarin de aanslag werd vernietigd wegens de onterechte toepassing van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 3° WIB92. Dient een rechter in een dergelijke situatie ambtshalve na te gaan of de aanslag kan worden gehandhaafd in toepassing van een andere aanslagtermijn indien de fiscus in gebreke blijft om de toepasselijkheid van een andere aanslagtermijn in te roepen ?
In dit artikel wordt bondig ingegaan op de tweede kwestie. De eerste kwestie wordt besproken in een afzonderlijk artikel dat u hier kan lezen.
1. Het openbare ordekarakter van belastingen
Het is vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie dat – aangezien belastingen van openbare orde zijn – de rechter zelf, zowel in feite als in rechte, moet beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. Hierbij is hij niet gebonden door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de belasting heeft gebaseerd en moet hij uitspraak doen over de andere gronden die het bestuur voor hem aanvoert ter verantwoording van de heffing. Indien nodig moet de rechter zelf eigen juridische gronden aanvoeren als die de aanslag kunnen verantwoorden.
Deze rechtspraak wordt in de fiscale rechtsleer vaak op kritiek onthaald.
Het uitgangspunt is immers dat een belastingplichtige voorafgaand aan het vestigen van een aanslag moet worden geïnformeerd over de gronden waarop de aanslag zal worden gesteund. In de inkomstenbelasting gebeurt dit via het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambstwege.
Deze motiveringsplicht verliest echter aan belang indien de belastingadministratie voor de rechtbank nog andere gronden kan aanvoeren ter verantwoording van de heffing.
En zelfs indien de belastingadministratie geen andere gronden zou aanvoeren, zou de rechter naderhand zelf de plicht zou hebben om (in plaats van de belastingadministratie) de motivering van de belastingheffing te zoeken.
Hiermee ontstaat een fundamenteel onevenwicht tussen de wederzijdse rechten en plichten van de belastingadministratie en de belastingplichtige, hetgeen de deur openzet voor willekeur.
2. Het beschikkingsbeginsel
In het arrest van 21 mei 2026 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat haar rechtspraak omtrent het openbare-ordekarakter van de belastingen niet los kan worden gezien van haar rechtspraak inzake het beschikkingsbeginsel.
Luidens dit algemeen rechtsbeginsel is de rechter gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.
Uit het beschikkingsbeginsel volgt echter niet dat de rechter de plicht heeft om ambtshalve alle mogelijke rechtsgronden op te werpen : hij moet enkel de rechtsmiddelen opwerpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen.
3. De partijen blijven verantwoordelijk om het debat te bepalen
In het kader van het beschikkingsbeginsel krijgt de rechter aldus een actieve rol bij het beoordelen van het geschil. Dit kan echter geenszins betekenen dat de partijen lijdelijk moeten toekijken of worden ontheven van hun verantwoordelijkheid om de rechtsgronden en argumenten waarop hun vordering rust, zelf aan te voeren.
Indien zou worden aanvaard dat partijen niets meer behoeven aan te dragen, en dat de rechter zelfstandig en onbeperkt alle mogelijke rechtsgronden zou moeten aanvullen, zou dit immers leiden tot een onwenselijke verschuiving van het procesdebat. De rechter zou dan niet langer als onpartijdige scheidsrechter optreden, maar het debat zélf bepalen en aldus in de plaats treden van de procespartijen. Dit druist in tegen zowel het beginsel van partijautonomie als tegen het vereiste van een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM.
Het beschikkingsbeginsel vormt dus een belangrijke beperking op het openbare-ordekarakter van de belastingen.
Het kan dan ook niet zo zijn dat een partij, onder voorwendsel van de actieve rol van de rechter, nalaat bepaalde rechtsgronden aan te voeren ter staving van haar stelling, terwijl de feiten van de zaak haar daartoe duidelijk aanleiding geven, en daarbij een passieve houding aanneemt met de idee (en zelfs de bedoeling) het aan de rechter over te laten om die rechtsgronden aan te vullen.
4. Passieve houding van de belastingadministratie wordt afgestraft
In het concrete dossier was de betwiste aanslag gesteund op de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 3° en §2, 2° WIB92. De toepassing van deze aanslagtermijn werd van meet af aan betwist door de belastingplichtige.
Hoewel de belastingadministratie in de loop van de procedure ruimschoots de tijd had (maar liefst 8 jaar) om minstens in ondergeschikte orde de toepasselijkheid van een andere aanslagtermijn in te roepen, bleef zij in gebreke om dit te doen.
Slechts in haar voorziening in cassatie wierp de belastingadministratie op dat de rechter zelf, ambtshalve en dus in de plaats van de belastingadministratie, had moeten nagaan of enige andere aanslagtermijn waarover de belastingadministratie beschikt, kon worden toegepast.
Het Hof van Cassatie herhaalt dat de rechter inderdaad de plicht heeft om ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder aanvoeren tot staving van hun vorderingen of hun verweer. Hiermee moet worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf aan voor brengt uit de elementen die de partijen hem regelmatig hebben voorgelegd.
Het Hof verduidelijkt echter dat dit niet betekent dat de rechter gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke maar niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de mogelijke toepassing moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich onmiskenbaar aan hem opdringen door de feiten die partijen in het bijzonder aanvoeren of de feiten die hij zelf naar voor brengt uit de elementen die de partijen hem regelmatig hebben voorgelegd.
Vervolgens stelt het Hof vast dat de belastingadministratie enkel aanvoerde dat de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 3° en §2, 2° WIB92 van toepassing was, zonder aan te voeren dat er sprake was van fraude. Hieruit volgt dat de belastingadministratie niet in het bijzonder feiten heeft aangevoerd voor de rechter die hem ertoe verplichtten ambtshalve te onderzoeken of de aanslag kon worden gehandhaafd met toepassing van artikel 354, lid 2 WIB92.
Met andere woorden: één partij kan niet het volledige proces in handen van de rechter leggen en verwachten dat de rechter zelfstandig de toepasselijke rechtsgronden zal zoeken. Een te passieve houding van de belastingadministratie ontslaat de rechter van zijn/haar plicht om na te gaan of de aanslag kan worden gehandhaafd.
Dit arrest vormt een belangrijke schakel in het herstel van het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en plichten van de belastingadministratie en de belastingplichtige.
Authors: Pieterjan Smeyers, Tax Partner at Andersen in Belgium