17/04/26

Aftrekverbod (her)bevestigd: Grondwettelijk Hof kaatst de bal opnieuw terug naar de feitenrechter

Het Grondwettelijk Hof heeft op 9 april 2026 (nr. 41/2026) opnieuw uitspraak gedaan over het verbod om verliezen te compenseren met de verhoogde belastbare grondslag ingevolge een fiscale controle ("aftrekverbod"). Dit arrest volgt op drie prejudiciële vragen van onder meer de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en het hof van beroep te Gent. De vragen hadden in essentie betrekking op de verenigbaarheid van het aftrekverbod (oud artikel 207, lid 7 WIB92) met het wettigheids- en gelijkheidsbeginsel; in het bijzonder in situaties waarin de toepassing ervan afhankelijk is van discretionaire keuzes van de fiscale administratie.

Concreet betreft het de keuze van de administratie om al dan niet een belastingverhoging op te leggen en de keuze om de aanslag al dan niet ambtshalve te vestigen. Daarnaast bevat het arrest een langverwachte uitspraak over de positie van vereffende vennootschappen, die door het aftrekverbod hun verliezen definitief teloor zien gaan en daardoor veel zwaarder worden getroffen dan actieve vennootschappen.

In zijn arrest is het Grondwettelijk Hof van oordeel dat het aftrekverbod, ook in voormelde situaties, geen schending inhoudt van de Grondwet. Het bevestigt daarmee de lijn die het reeds uitzette in zijn arrest van 19 juni 2025 (nr. 90/2025). Het Hof benadrukt evenwel (opnieuw) dat de toepassing van het aftrekverbod moet worden beoordeeld met inachtname van de relevante beginselen van behoorlijk bestuur, en dat de hoven en rechtbanken hierop toezicht uitoefenen met volle rechtsmacht, wat ruimte laat voor een toetsing in concreto.

Achtergrond

Het arrest vindt zijn oorsprong in drie prejudiciële vragen die werden gesteld in telkens een andere feitelijke context. In een eerste zaak, voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, werd de toepassing van een belastingverhoging van 10% en het daaraan gekoppelde aftrekverbod betwist naar aanleiding van een onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken. De verwijzende rechter stelde zich met name de vraag of het verenigbaar is met de Grondwet dat de fiscale administratie discretionair kan beslissen om al dan niet een belastingverhoging toe te passen, met als gevolg dat het aftrekverbod al dan niet speelt. De feiten in deze zaak waren aldus in hoge mate vergelijkbaar met de feiten in de zaak die hebben geleid tot het eerdere arrest van 19 juni 2025.

In een tweede zaak werd de problematiek voorgelegd door de vereffenaar van een vereffende vennootschap, die de toepassing van een belastingverhoging van 10% en het daarmee samenhangende aftrekverbod betwistte. De concrete impact van het aftrekverbod was hier bijzonder zwaar, aangezien een vereffende vennootschap haar verliezen in de regel niet meer kan recupereren in latere belastbare tijdperken. In dat kader stelde de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, de prejudiciële vraag of deze regeling geen ongelijke behandeling zonder redelijke verantwoording inhoudt tussen vereffende en niet-vereffende vennootschappen.

Ten slotte werd het hof van beroep te Gent geconfronteerd met een zaak waarin een belastingverhoging van 50% werd toegepast naar aanleiding van een herhaalde (vierde) laattijdige aangifte, in combinatie met een aanslag van ambtswege. Daarbij stelde de verwijzende rechter vast dat de fiscale administratie weliswaar gehouden kan zijn om in dergelijk geval een belastingverhoging op te leggen, maar niet verplicht is om een aanslag van ambtswege te vestigen. De prejudiciële vraag had dan ook betrekking op de ruime beoordelingsbevoegdheid van de administratie. Door deze beoordelingsmarge kan zij immers discretionair bepalen of het aftrekverbod al dan niet op de volledige belastbare grondslag van toepassing is, wat de vraag doet rijzen of een dergelijk systeem verenigbaar is met het wettigheids- en gelijkheidsbeginsel.

Gelet op de onderlinge samenhang van de prejudiciële vragen, die allen betrekking hadden op dezelfde wettelijke bepaling en vergelijkbare grondwettelijke bezwaren, heeft het Grondwettelijk Hof voormelde zaken samengevoegd en in één arrest behandeld (nr. 41/2026).

Uitspraak van het Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof oordeelt in zijn arrest van 9 april 2026 wederom dat het aftrekverbod niet ongrondwettig is. Het Hof aanvaardt uitdrukkelijk dat de administratie over een zekere beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat deze marge kan leiden tot een verschillende fiscale uitkomst in gelijkaardige situaties. Volgens het Hof kan een eventueel verschil in behandeling niet worden toegeschreven aan de wet zelf ("de in het geding zijnde bepaling"), maar is dit een gevolg van de "feitelijke omstandigheden" en van de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de administratie, die daarbij de beginselen van behoorlijk bestuur dient te eerbiedigen, onder toezicht van de feitenrechter (overweging B.13.4).

Deze overweging kan evenwel moeilijk overtuigen. In het bijzonder wat betreft vereffende vennootschappen lijkt het Hof het gelijkheidsbeginsel al te lichtzinnig terzijde te schuiven. Het staat immers vast dat het aftrekverbod voor vereffende vennootschappen steeds een aanzienlijk zwaardere impact heeft dan voor actieve vennootschappen, aangezien hun fiscale verliezen definitief teloorgaan. Dit verschil in behandeling is met andere woorden geenszins het gevolg van "feitelijke omstandigheden", zoals in het arrest wordt vooropgesteld. Daarentegen vloeit het verschil in behandeling wel degelijk rechtstreeks voort uit de structuur van de regeling zelf ("de in het geding zijnde bepaling"), die geen rekening houdt met de specifieke positie van vennootschappen in vereffening. Door dit onderscheid niet als problematisch te beschouwen, miskent het Hof naar onze mening de wezenlijke draagwijdte van het gelijkheidsbeginsel.

Het Hof bevestigt daarentegen wel, in lijn met zijn eerdere rechtspraak, dat de rechter beschikt over volle rechtsmacht bij de beoordeling van de belastingverhoging en het daaraan gekoppelde aftrekverbod. Dit betekent dat de rechter niet enkel de wettigheid, maar ook de evenredigheid van de maatregel moet toetsen. Het ogenschijnlijk automatische karakter van het aftrekverbod wordt hierdoor in de praktijk aanzienlijk genuanceerd.

Conclusie

De belangrijkste les uit dit arrest is dan ook dat het debat zich definitief verplaatst van het Grondwettelijk Hof naar de feitenrechter, die in concreto zal moeten oordelen over de toepassing van het aftrekverbod. De vraag zal in de toekomst niet langer zijn of het aftrekverbod als zodanig (on)grondwettig is, maar wel of de administratie in een concreet geval terecht en op proportionele wijze een belastingverhoging heeft toegepast, en dus het aftrekverbod heeft 'geactiveerd'.

Dit opent belangrijke perspectieven voor belastingplichtigen om de toepassing van het aftrekverbod aan te vechten, in het bijzonder wanneer de motivering van de belastingverhoging tekortschiet of wanneer de maatregel onevenredig zwaar uitvalt in verhouding tot de aard van de vastgestelde inbreuk.

Tiberghien volgt deze evoluties nauwgezet op en staat belastingplichtigen bij in fiscale procedures over belastingverhogingen en de toepassing van het aftrekverbod, in het bijzonder waar vragen rijzen omtrent de motivering en evenredigheid ervan.

Auteurs
- Vincent Vercauteren (Partner Antwerpen)
- Christophe Dillen (Partner Antwerpen)
- Maxim Vermeiren (Associate Antwerpen)

dotted_texture