Wanneer een consumentenovereenkomst nietig wordt verklaard omwille van onrechtmatige bedingen, kunnen zowel de consument als de onderneming teruggave vorderen van alles wat zij aan elkaar in het kader van die overeenkomst gaven. In een arrest van 2 juli 2026 boog het Hof van Justitie[1] zich over het startpunt van de verjaringstermijn voor die teruggavevordering van de onderneming. Volgens het Hof verzet de Richtlijn Oneerlijke Bedingen[2] zich niet tegen een nationale regeling waarbij die termijn pas start op de datum waarop de consument voor het eerst betwist gebonden te zijn aan de betrokken bedingen.
Achtergrond
Het geschil start in Polen, waar een aantal consumenten de nietigverklaring bekwamen van twee hypothecaire leningsovereenkomsten omdat deze oneerlijke bedingen bevatten. Als gevolg van die nietigheid verkregen de consumenten de terugbetaling van alle bedragen die zij ter uitvoering van de overeenkomst hadden betaald, vermeerderd met vertragingsrente. De banken stelden op hun beurt enkele jaren later (lopende de procedure) een tegenvordering in tot terugbetaling van het door hen uitgeleende kapitaal. De consumenten argumenteerden dat deze tegenvordering verjaard was. De Poolse rechter twijfelde echter over het tijdstip waarop de verjaringstermijn voor de vordering van de bank begon te lopen en stelde hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Drie mogelijke aanvangspunten lagen volgens de Poolse rechtbank voor: (1) de datum waarop het kapitaal ter beschikking van de consument werd gesteld, (2) de datum waarop gelijksoortige bedingen in het Poolse register van oneerlijke bedingen werden ingeschreven, of (3) de datum waarop de consument voor het eerst de geldigheid van de overeenkomst betwistte.
Oordeel van het Hof van Justitie
Het Hof bevestigde vooreerst dat wanneer een overeenkomst wegens oneerlijke bedingen nietig wordt verklaard, beide partijen moeten worden teruggebracht in de situatie waarin zij zich zonder het oneerlijke beding zouden hebben bevonden. Voor de consument betekent dit dat hij de voordelen die de verkoper (de bank) op grond van dat beding heeft verleend eveneens moet terugbetalen. De bank kan dus het uitgeleende kapitaal, vermeerderd met een eventuele vertragingsrente, terugvorderen, maar heeft geen recht op enige bijkomende vergoeding. Deze wederzijdse restitutieverplichting volgt uit het evenredigheidsbeginsel en voorkomt dat de consument ten koste van de bank zou worden bevoordeeld.
Voor wat betreft de verjaringstermijn, gaf het Hof aan dat dit niet op Unieniveau is geregeld, en dus een nationale aangelegenheid is. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel, het verbod op ongerechtvaardigde verrijking en het beginsel van wapengelijkheid. Om die redenen sloot het Hof twee van de drie door de Poolse rechter vermeldde aanvangspunten uit:
- De datum waarop het kapitaal ter beschikking van de consument werd gesteld, is niet geschikt: zolang de consument de geldigheid van de overeenkomst niet betwist, heeft de verkoper geen vordering. De consument kan er immers ook voor kiezen om de overeenkomst toch te laten gelden en zich niet op het oneerlijke karakter van een beding te beroepen. Als de verjaringstermijn zou ingaan vóór de consument die keuze heeft gemaakt, zou de vordering van de bank kunnen verjaren voor zij wist dat zij er één had.
- De datum van inschrijving in een register van oneerlijke bedingen is evenmin geschikt: zo'n inschrijving leidt niet automatisch tot nietigverklaring van de overeenkomst, want die moet door een rechter worden uitgesproken op basis van wat de consument wenst.
De datum waarop de consument voor het eerst het bindende karakter van de overeenkomst betwistte, de derde piste van de Poolse rechter, is volgens het Hof wél een aanvaardbaar aanvangspunt. Vanaf dat ogenblik weet de verkoper dat de consument de ongeldigheid wil inroepen en kan hij de mogelijke gevolgen voorzien – hetgeen het rechtszekerheidsbeginsel dient. Het Hof verduidelijkte hierbij dat een betwisting niet noodzakelijk een gerechtelijke procedure inhoudt: een klacht of aanmaning aan de verkoper volstaat.
Relevantie
Hoewel dit arrest betrekking heeft op hypothecaire leningsovereenkomsten, kunnen de principes die het Hof uiteenzet relevant zijn voor alle situaties waarin een overeenkomst wegens oneerlijke bedingen nietig wordt verklaard. Ondernemingen die overeenkomsten sluiten met consumenten doen er dan ook goed aan de datum van elke klacht of betwisting van geldigheid door de consument bij te houden. Die datum kan immers het startpunt van hun eigen verjaringstermijn vormen voor een eventuele vordering tot teruggave of terugbetaling.
[1] Hof van Justitie 2 juli 2026, C-261/25 en C-262/25, voorlopige editie.
[2] Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Authors:
- Nathalie De Weerdt, Senior Associate at Stibbe
- Fien Vandepitte, Junior Associate at Stibbe