15/07/26

Fiscaliteit van auteursrechten: afschaffing van de forfaitaire raming van kosten

De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

Auteursrechten en naburige rechten worden gekwalificeerd als roerende inkomsten. Ze kunnen ressorteren onder artikel 17, § 1, 3° of onder artikel 17, § 1, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (hierna “WIB”). De toepassing van artikel 17, § 1, 5° is onderworpen aan de naleving van de daarin gestelde voorwaarden.

Opmerkelijk is dat de minister van Financiën in de parlementaire voorbereiding heeft verduidelijkt dat een overdracht van auteursrechten of naburige rechten niet onder de 3° kan vallen, aangezien die bepaling enkel betrekking heeft op concessies (in-licentiegeving). Indien de verrichting noch onder de 3° noch onder de 5° valt, zou ze in beginsel onder de categorie van de diverse inkomsten moeten ressorteren. De belastingadministratie zal echter wellicht voorhouden dat het om beroepsinkomsten gaat, wat ons inziens niet correct is.

In principe is enkel het netto-inkomen belastbaar.

Artikel 22, § 3 WIB bepaalt dat het belastbaar netto-inkomen voor auteursrechten en naburige rechten bestaat uit het bruto-inkomen, verminderd met de kosten die zijn gedaan om de inkomsten te verkrijgen of te behouden. Bij gebrek aan bewijskrachtige elementen worden deze kosten forfaitair geraamd volgens door de Koning vastgestelde percentages.

Vóór de wijziging werden de kosten forfaitair geraamd op 15% voor inkomsten die onder artikel 17, § 1, 3° WIB vallen (art. 3 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB, hierna “KB/WIB”). Voor inkomsten die onder artikel 17, § 1, 5° WIB vallen, werd dat percentage van 15% verhoogd tot 50% voor de eerste schijf van 10.000 EUR (te indexeren bedrag) en tot 25% voor de tweede schijf van 10.000 EUR (te indexeren bedrag) (art. 4, 1° KB/WIB). Over de aftrekbaarheid van kosten boven de tweede schijf bestaat nog steeds discussie. De belastingadministratie is van mening dat boven dat bedrag geen kosten meer aftrekbaar zijn.

De programmawet voegt een nieuw lid toe aan zowel artikel 3 als artikel 4, waarin wordt verduidelijkt dat de forfaitaire aftrek voortaan enkel nog van toepassing is op inkomsten uit activiteiten waarvoor de belastingplichtige, op het ogenblik van de betaling of toekenning van deze inkomsten, beschikt over een kunstwerkattest.

Het kunstwerkattest is enkel toegankelijk voor auteurs en kunstenaars die het bewijs leveren van een professionele artistieke praktijk in de kunsten. Dit attest moet worden aangevraagd bij de Kunstwerkcommissie. Bij de beoordeling van een artistieke praktijk zal de Commissie enkel rekening houden met artistieke activiteiten binnen de kunstendomeinen, namelijk de audiovisuele kunsten, de beeldende kunsten, de muziek, de letterkunde, het spektakel, het theater, de choreografie en het beeldverhaal (strip).

Een belastingplichtige die dit attest niet kan verkrijgen, kan bijgevolg niet langer aanspraak maken op de forfaits van de artikelen 3 en 4 KB/WIB. Bovendien zijn ook kunstenaars met een zogenaamd “startersattest” uitgesloten, op grond dat zij nog geen professionele artistieke activiteit hebben ontwikkeld.

De afschaffing van de forfaitaire kostenraming belet de belastingplichtige echter niet om zijn werkelijke kosten af te trekken. In de praktijk is deze mogelijkheid wel moeilijker te realiseren, aangezien de belastingplichtige het bestaan, het bedrag en het verband van deze kosten met de betrokken inkomsten moet kunnen bewijzen.

De nieuwe maatregel treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De schuldenaars van de inkomsten moeten met deze nieuwe bepaling echter pas rekening houden voor toekenningen van auteursrechten en naburige rechten die plaatsvinden vanaf 10 juni 2026, dit is 10 dagen na de bekendmaking van de programmawet in het Belgisch Staatsblad.

Belangrijk om te onderstrepen is dat, zelfs wanneer de belastingplichtige over het kunstwerkattest beschikt, hij enkel aanspraak kan maken op de forfaitaire kostenaftrek voor de inkomsten uit auteursrechten of naburige rechten die voortvloeien uit de activiteit op basis waarvan het attest werd verkregen.

Ten slotte preciseert de tekst dat men houder van het attest moet zijn op het ogenblik van de toekenning van het inkomen. Een strikte lezing zou impliceren dat de auteur of kunstenaar pas vanaf de effectieve verkrijging van het attest aanspraak kan maken op de forfaitaire aftrek. Het is dan ook van groot belang dat wie aan de voorwaarden voldoet maar nog niet over het attest beschikt, zo snel mogelijk een dossier indient bij de Commissie. Meer informatie is te vinden op: workinginthearts.fgov.be.

Deze nieuwe maatregel is in haar opzet sterk betwistbaar. Er worden momenteel beroepen tot vernietiging voor het Grondwettelijk Hof voorbereid.

Authors:

Sébastien Watelet, Tax Partner at Andersen in Belgium

dotted_texture