In drie arresten van 20 mei 2026 heeft de Raad van State een streep getrokken door de Belgische soldenregeling. Artikel VI.25, §1 WER, dat het gebruik van de benamingen "solden", "opruimingen", "soldes", "Schlussverkauf" en gelijkaardige termen beperkt tot januari en juli, is onverenigbaar met de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken en moet buiten toepassing worden gelaten. De boetes die de FOD Economie op grond van deze bepaling aan de retailers had opgelegd, werden vernietigd.
Volledige harmonisatie als struikelblok
De Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken harmoniseert de regels over oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten volledig. Lidstaten mogen binnen het geharmoniseerde domein geen strengere of aanvullende nationale maatregelen handhaven. Cruciaal daarbij is dat de Richtlijn van toepassing is zodra een nationale regeling ook maar gedeeltelijk of onrechtstreeks gericht is op consumentenbescherming. Een regel die primair de belangen van ondernemingen dient maar daarnaast ook consumenten beschermt, valt dus evenzeer onder de Richtlijn.
De kernvraag die door de Raad van State moest worden beantwoord was dan ook of de soldenregeling in artikel VI.25 WER de consument beoogt te beschermen en dus onder het toepassingsgebied van deze Richtlijn valt. De retailers argumenteerden dat dit inderdaad bleek uit verschillende elementen, zoals de ontstaansgeschiedenis en de samenhang met andere bepalingen. De FOD Economie hield zich daarentegen vast aan het formele doel dat in de bepaling zelf is opgenomen: naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie werden destijds de woorden "teneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen" aan de bepaling toegevoegd, in de hoop een onverenigbaarheid met de Richtlijn te voorkomen. Dit trucje van de wetgever werd in de rechtsleer sterk bekritiseerd.
Het oordeel van de Raad van State
De Raad van State sluit zich aan bij deze kritiek en geeft de FOD Economie ongelijk. De Raad stelt in niet mis te verstane bewoordingen dat de formele doelomschrijving in de wettekst op zich niet volstaat om het toepassingsgebied van de Richtlijn te bepalen: de daadwerkelijke doelstelling moet worden onderzocht aan de hand van alle relevante factoren, waaronder de ontstaansgeschiedenis en de parlementaire voorbereiding. De Raad oordeelt dat de soldenregeling wel degelijk de bescherming van de consument beoogt, met name een garantie dat ondernemingen de eerlijke handelspraktijken naleven. De soldenregeling geldt niet – laat staan uitsluitend – in het voordeel van ondernemingen: zij willen met de solden net vermijden dat ze met onverkoopbare voorraad blijven zitten en hebben er alle belang bij om liquiditeiten te creëren om hun assortiment te vernieuwen.
Bijgevolg valt de soldenregeling onder het toepassingsgebied van de Richtlijn. Omdat de Richtlijn zelf niet in een dergelijk verbod voorziet, is artikel VI.25 WER als strengere nationale maatregel onverenigbaar met het EU-recht en moet het op grond van het beginsel van Unierechtelijke voorrang buiten toepassing blijven. Een louter pro-forma doelstelling in de wettekst of memorie van toelichting volstaat dus niet om een regel aan het geharmoniseerde domein te onttrekken.
De praktische gevolgen
Voor de retailers in kwestie hebben de arresten als onmiddellijk gevolg dat de opgelegde boetes werden vernietigd. Aangezien arresten van de Raad van State slechts betrekking hebben op de specifieke zaken die zij behandelen en geen wetsbepalingen vernietigen, is artikel VI.25 WER formeel nog steeds van kracht. Toch geldt deze rechtspraak als een sterk precedent: de Raad heeft uitdrukkelijk bevestigd dat artikel VI.25 WER buiten toepassing moet worden gelaten, waardoor het in de praktijk onhoudbaar is voor de Economische Inspectie om inbreuken op die bepaling in de toekomst nog te beboeten.
In de praktijk betekent dit dat de term "solden" en gelijkaardige termen nu het hele jaar door kunnen worden gebruikt, zij het dat de overige regels rond aankondigingen van prijsverminderingen onverkort van kracht blijven. Daarnaast verliest de sperperiode – de periode vóór de wettelijke soldenperiode waarbinnen ondernemingen geen prijsverminderingen mogen doorvoeren – grotendeels haar praktische betekenis. Die sperperiode is immers onlosmakelijk verbonden met de soldenregeling.
De vraag rijst bovendien of andere bepalingen in het WER met dezelfde pro-forma aanhef, zoals het verbod op verkoop met verlies, eenzelfde toetsing zouden doorstaan. Het Hof van Cassatie heeft in het verleden immers al bevestigd dat het verbod op verkoop met verlies naast de economische belangen van concurrenten ook de consumenten beoogt te beschermen en dus binnen de Richtlijn valt én ermee onverenigbaar is. De arresten van 20 mei 2026 vormen daarmee mogelijk niet alleen een eindpunt voor de soldenregeling, maar ook een startpunt voor een bredere herziening van het WER.
Raad van State 20 mei 2026, arresten nummers 266.735, 266.736 en 266.737.
Auteurs: Nathalie De Weerdt (Senior Associate, Brussel) en Fien Vandepitte (Junior Associate, Brussel).