De Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) heeft recent haar standaardvragenlijst voor cryptomunten aangepast in het licht van de nieuwe fiscale realiteit rond cryptoactiva. Die update kadert in een bredere evolutie waarbij meerwaarden op financiële activa – waaronder ook cryptomunten – voortaan in een specifiek fiscaal kader worden behandeld. Tegelijk blijft de concrete fiscale kwalificatie van crypto-inkomsten en -meerwaarden sterk afhankelijk van de feiten, waardoor voorafgaande zekerheid via een ruling nog steeds relevant is.
Fiscale behandeling van cryptomunten
De invoering van de meerwaardebelasting wijzigt het onderliggende kwalificatieprobleem niet. Het klassieke driedelige onderscheid blijft onverkort gelden:
- meerwaarden binnen het normaal beheer van het privévermogen zijn voortaan onderworpen aan een afzonderlijke heffing van 10% met een (geïndexeerde) basisvrijstelling van 10.000 EUR;
- meerwaarden die de grenzen van dat normaal beheer overschrijden, blijven belastbaar als divers inkomen aan 33% op grond van artikel 90, 1° WIB92;
- bij een beroepsmatig karakter gelden de progressieve tarieven, vermeerderd met sociale bijdragen.
Aanpassing van de vragenlijst: implicaties voor de praktijk
Uit de wijzigingen blijkt dat de rulingdienst een uitgesproken cijfermatige en feitelijke onderbouwing van het beleggersprofiel verwacht. Zo wordt nog steeds een volledig overzicht van alle transacties gevraagd, maar voortaan ook een samenvatting per jaar. Dit laat toe om het profiel van de belegger dynamischer te beoordelen en rekening te houden met evoluties in de tijd, bijvoorbeeld een aanpassing van het beleggingsgedrag.
Opvallend is verder dat de rulingdienst bepaalde vragen heeft geschrapt die in de praktijk weinig onderscheidend bleken te zijn voor de fiscale kwalificatie. Tegelijk verschuift de focus naar relevante economische parameters, zoals de verhouding tussen de crypto-investeringen en het totale financiële vermogen. De rulingdienst hanteert een praktijk waarbij de overschrijding van deze 25%-grens bijna altijd leidt tot de conclusie dat er een abnormaal beheer zou zijn. Vroeger werd rekening gehouden met het totale roerende vermogen: nu zal enkel rekening worden gehouden met het totale financiële vermogen. Hierdoor zullen belastingplichtigen wellicht sneller de grens van 25% bereiken, aangezien geen rekening meer wordt gehouden met niet-financiële goederen (bv. kunst, collecties, Pokémon-kaarten, ...).
Daarnaast wordt expliciet gepeild naar de aanwezigheid van passieve inkomsten uit cryptoactiva, zoals staking of andere vormen van opbrengsten. Daarmee onderstreept de rulingdienst dat niet alleen gerealiseerde meerwaarden, maar ook recurrente inkomsten afzonderlijk fiscaal gekwalificeerd moeten worden. Ook de band met de beroepsactiviteit wordt ruimer onderzocht: de situatie bij aanvang van de investeringen speelt een rol in de beoordeling.
Deze aanpassingen bevestigen dat een rulingaanvraag in crypto-dossiers meer dan ooit een grondige voorbereiding vergt. De nadruk ligt op een consistente en cijfermatig onderbouwde voorstelling van de feiten, waarbij de belastingplichtige zijn investeringsstrategie en profiel op coherente wijze moet kunnen toelichten. In een context waarbij de grenzen tussen normaal beheer en speculatie moeilijk af te lijnen blijven, vormt dit een essentieel aandachtspunt voor belastingplichtigen.
Auteurs: Tayfun Anil (Associate, Brussel) & Vincent Vercauteren (Partner, Antwerpen) — Tiberghien