07/01/26

Nieuwe wet persoonlijke zekerheden in werking

Op 1 januari 2026 is de wet van 5 juni 2025 houdende titel 1 "Persoonlijke zekerheden" van boek 9 "Zekerheden" van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden. Het Belgisch systeem van persoonlijke zekerheden, m.n. verbintenissen van een derde om de betaling van andermans schuld (de "hoofdschuldenaar") te waarborgen tegenover diens schuldeiser, wordt hiermee gemoderniseerd.

De wet vervangt de voormalige regeling van de borgtocht (artikelen 2011 tot 2043octies Oud BW) en codificeert bepaalde vormen van persoonlijke zekerheden die nog geen wettelijke basis hadden (hoofdelijkheid tot zekerheid, autonome garantie, patronaatsverklaring). De borgtocht blijft evenwel het meest in detail geregeld. Bij bv. de autonome garantie blijft een zeer grote contractuele vrijheid gelden (doch moet men waakzaam zijn voor de herkwalificatie als borgtocht, waardoor de wettelijke bepalingen dienaangaande van toepassing zijn).

Wanneer de zekerheidssteller een consument is, gelden een aantal specifieke beschermingsregels, gebaseerd op het voormalige stelsel van de "kosteloze borg". Deze bepalingen zijn grotendeels dwingend van aard: er kan niet contractueel van worden afgeweken. De algemene regels, die gelden voor alle persoonlijke zekerheden (zowel door consumenten als door niet-consumenten), zijn in grote mate van aanvullend recht. Ook hier gelden evenwel een aantal dwingende regels (bv. maximumplafond bij een borgtocht voor alle schuldvorderingen).

De wet van 5 juni 2025 is van toepassing op persoonlijke zekerheden verstrekt vanaf 1 januari 2026. Ze geldt niet voor persoonlijke zekerheden gesteld vóór de inwerkingtreding, en ook niet voor de toekomstige gevolgen daarvan, tenzij partijen dergelijke toepassing contractueel bepalen. Het staat partijen eveneens vrij om te bepalen dat nieuwe zekerheden onder het oude regime vallen, behalve voor de dwingende bepalingen van boek 9 BW, die altijd moeten worden nageleefd.

In wat volgt vatten we de belangrijkste nieuwigheden voor u samen.

Algemeen kader

o   Duur van de borgtocht

Voor borgtochten van onbepaalde duur introduceert artikel 9.1.19 BW een uniforme opzegregeling. Partijen kunnen de borgtocht eenzijdig beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van 45 dagen, tenzij een kortere termijn werd overeengekomen. Na het einde van de overeenkomst blijft de borg gehouden voor schulden ontstaan vóór het verstrijken van de opzegtermijn, tenzij contractueel een minder verregaande gehoudenheid werd overeengekomen. De vroegere wettelijke maximumduur van 5 jaar voor kosteloze borgen (art. 2043quinquies, §2 OBW) wordt daarmee afgeschaft, zodat de consument voortaan te allen tijde zelf kan beslissen wanneer hij de borgstelling beëindigt (mits opzeggingstermijn) en zo de controle over diens aansprakelijkheidsrisico enigszins behoudt.

Bij borgtochten van bepaalde duur is er in principe geen eenzijdige beëindiging mogelijk, en is de borg slechts bevrijd vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur.

o   Borgtocht voor alle schuldvorderingen

Een borgtocht voor toekomstige verbintenissen is in een interessante zekerheidsstelling voor schuldeisers. In franchisecontracten worden vaak borgstellingen verstrekt voor alle verbintenissen die in hoofde van de franchisenemer zijn en zullen ontstaan uit de contractuele relatie tussen de franchisegever en de franchisenemer. De wetgever heeft hier een duidelijk kader willen scheppen (ook voor borgen consument zijn – zie verder), om de borg meer zekerheid te geven over hetgeen waartoe hij zich verbindt.

Eerst en vooral moeten de toekomstige verbintenissen "voldoende bepaalbaar" zijn (art. 9.1.16 BW). Ten tweede moet de borgtocht een maximaal bedrag vermelden, bij gebrek waaraan de borgtocht beperkt is tot de verbintenissen die bestonden bij het aangaan ervan. Ten derde strekt de borgtocht zich enkel uit tot verbintenissen die redelijkerwijs voorzienbaar waren bij het sluiten van de borgtocht (9.1.17 BW).

Specifieke bescherming voor consumenten

Voor persoonlijke zekerheden gesteld door consumenten geldt een afzonderlijk hoofdstuk (art. 9.1.42 BW e.v.). Het voormalige concept van de "kosteloze borg" maakt plaats voor het consumentenbegrip zoals omschreven in artikel I.1, 2°, van het Wetboek van economisch recht ("iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen"). Zekerheden verstrekt voor commerciële doeleinden vallen dus niet onder deze regels. Artikel 9.1.42 BW bepaalt voorts uitdrukkelijk dat de consumentenregels evenmin gelden indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is en de zekerheidssteller een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon (bv. als bestuurder).

De voornaamste consumentenregels worden hieronder samengevat. Deze bepalingen regelen evenwel niet elk aspect van de persoonlijke zekerheden: bij het ontbreken van regels in dit hoofdstuk dient in de eerste plaats te worden teruggevallen op de algemene regels geregeld onder hoofdstukken 1 en 2 van Titel 1, die voornamelijk van aanvullend recht zijn (art. 9.1.43 BW).

o   Enkel nog borgstelling mogelijk door consument

De wet bepaalt dat een consument enkel nog een borgtocht kan verlenen (art. 9.1.43 BW). Indien een consument toch een andere vorm van persoonlijke zekerheid ondertekent, zoals een autonome garantie of een patronaatsverklaring, wordt deze automatisch geherkwalificeerd als borgtocht. De idee is om te voorkomen dat dwingende regels inzake borgtocht zouden worden omzeild.

o   Informatieverplichtingen van de schuldeiser

Verder legt de wet een uitgebreide informatieplicht op aan de schuldeiser. Nog vóór de borgstelling wordt ondertekend, moet de schuldeiser de consument duidelijk informeren over de gewaarborgde schuld, het algemene gevolg van de beoogde zekerheid en de mogelijke specifieke risico’s rekening houdend met de financiële toestand van de schuldenaar. Schending van deze verplichting kan leiden tot precontractuele aansprakelijkheid (art. 5.17 BW).

Ook tijdens de looptijd van de borgstelling krijgt de consument structureel informatie van de schuldeiser. Artikel 9.1.48 BW bepaalt dat de schuldeiser jaarlijks een overzicht moet bezorgen van de nog openstaande hoofdsom, de opgebouwde interesten en alle andere kosten. De borg krijgt zo inzicht op de omvang van de vordering, vaak nog vóór kosten en verwijlinteresten beginnen op te stapelen.

Daarnaast voert artikel 9.1.49 BW een onmiddellijke waarschuwingsplicht in: zodra de hoofdschuldenaar in gebreke blijft of uitstel verkrijgt van de schuldeiser, moet de schuldeiser de consument onverwijld de volledige stand van de schuld meedelen. Indien de schuldeiser de jaarlijkse informatieverplichting en/of de tussentijdse waarschuwingsplicht niet nakomt, is hij aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade.

o   Afzonderlijk geschrift

De borgstelling moet worden opgenomen in een afzonderlijk geschrift (art. 9.1.45 BW). Ze mag dus niet verscholen worden in de kleine lettertjes van het hoofdcontract. De borgstelling moet bovendien door de consument ondertekend zijn en op een duurzame drager beschikbaar blijven. Bij gebrek daaraan is de borgstelling nietig.

De strenge handgeschreven formule "door me borg te stellen voor ... voor de som beperkt tot ... etc." op basis van art. 2043quinquies, § 3 OBW wordt verlaten. Voor bewijsredenen is wel vereist dat de consument-borgsteller de borgstelling ondertekent én een handgeschreven vermelding van de geborgde som, voluit in letters uitgedrukt, opneemt (art. 8.21 BW).

o   Borgtocht voor alle schuldvorderingen

Op basis van artikel 2043 Oud BW was een borgtocht "voor alle sommen" (i.e. voor zowel bestaande als toekomstige schuldvorderingen) verstrekt door een kosteloze borg, verboden. In de nieuwe regelgeving voor consumenten is een consumentenborg voor toekomstige schuldvorderingen (bv. toekomstige huurgelden) wél mogelijk, doch enkel onder specifieke voorwaarden.

Eerst en vooral is de borgstelling beperkt tot schuldvorderingen die ontstaan uit een contract dat bestaat op het ogenblik dat de borg zich verbindt én dat specifiek in de borgstelling wordt aangeduid (art. 9.1.46 BW). Een consument kan zich dus niet borg stellen voor toekomstige contracten (bv. in het kader van een raamcontract waarbij de borg geldt voor alle toekomstige uitvoeringscontracten).

Net zoals ten aanzien van niet-consumenten moet de borgstelling een maximumbedrag vermelden (art. 9.1.46 BW). Elk gedeelte van de schuld dat dit plafond overschrijdt, is niet afdwingbaar. Daarbij geldt een bijkomende beperking: interesten, boetes en invorderingskosten mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan 50% van de hoofdsom. De wetgever achtte het van belang dat de consument vanaf het moment van de zekerheidsstelling zijn worst-case-exposure kan inschatten, en dat de kosten de schuld niet ongemerkt kunnen doen verdubbelen.

o   Kennelijke wanverhouding tussen borgstelling en draagkracht van de consument

Indien de verbintenis van de consument kennelijk buiten verhouding staat tot diens draagkracht, kan de borgstelling geheel of gedeeltelijk verminderen tot de actuele betaalcapaciteit van de consument. Onder het voormalig stelsel van de kosteloze borg, was de borgstelling in dergelijk geval nietig, waardoor de schuldeiser vaak met lege handen achterbleef.  

***

De invoering van titel 1 van boek 9 BW creëert een nieuw en helder kader voor persoonlijke zekerheden. Ten aanzien van borgstellingen verstrekt in een professionele context, is het gros van de regels van aanvullend recht. Daarnaast wordt de consumentenborg naar een volledig nieuw niveau van rechtszekerheid getild. Dankzij het afgebakend kader voor toekomstige verbintenissen, de 50 %-limiet op bijkomende kosten, onmiddellijke waarschuwings- en jaarlijkse informatieplichten en het rechterlijk vangnet tegen disproportionele verbintenissen, beschikt de consument voortaan over een ruim beschermingsarsenaal. Waar een borgstelling vroeger vaak een sprong in het duister was, wordt het nu een helder afgebakend en beheersbaar engagement. Dit wil ook zeggen dat de schuldeiser aandachtig moet zijn voor de wijze waarop zijn contracten zijn opgesteld (zeker ten aanzien van consumenten), om te zorgen dat de zekerheidsstelling een doelmatige en krachtige zekerheid blijft.

Gelet op o.a. bovenstaande wijzigingen, die per 1 januari 2026 van kracht zijn, adviseren we om uw contractclausules en templates voor persoonlijke zekerheden grondig te herzien, zowel voor consumenten als voor zekerheden in een professionele context, zodat deze bestand zijn tegen de nieuwe regels van titel 1, boek 9 BW. Voor bijstand of vragen bij dergelijke review, kan u terecht bij de auteurs van deze nieuwsbrief.

dotted_texture