Het hof van beroep te Brussel heeft een opmerkelijk arrest geveld in een fiscale zaak, waarbij drie aanslagen in de personenbelasting werden vernietigd. De kern van de zaak draaide om de vraag of de fiscus haar btw-onderzoeksbevoegdheden rechtmatig had aangewend om informatie te verzamelen voor het vestigen van aanslagen in de directe belastingen. Het hof oordeelde van niet en stelde dat de procedurele waarborgen voor de belastingplichtige waren geschonden.
Achtergrond van het geschil
De zaak draaide rond een btw-onderzoek door de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) naar een vennootschap X, waarvan de heer Y bestuurder was. Tijdens dit onderzoek werden onder andere de boekhouding meegenomen en vragen om inlichtingen verstuurd naar derden over betalingen op de privérekening van de heer Y. Vervolgens werden op basis van de gegevens uit het btw-onderzoek de aanslagen in de personenbelasting gevestigd ten name van de bestuurder.
Argumenten van de partijen
De bestuurder voerde voor het hof van beroep onder meer aan dat artikel 333, derde lid WIB 1992 was geschonden. Deze bepaling vereist een voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen van belastingontduiking en de uitbreiding van de onderzoekstermijn, op straffe van nietigheid van de aanslag. Hij stelde dat de administratie de btw-procedure had misbruikt om deze verplichting te omzeilen, met schending van het finaliteits- en doelgebondenheidsbeginsel.
De fiscus argumenteerde dat artikel 333, derde lid WIB 1992 niet was geschonden omdat er geen onderzoekshandelingen in het kader van de inkomstenbelastingen waren gesteld voorafgaand aan de kennisgevingen van wijziging. Volgens de fiscus was er geen misbruik gemaakt van de btw-bevoegdheden, mede omdat er effectief een btw-taxatie was gevestigd.
Oordeel van het hof van beroep te Brussel
Het hof van beroep volgde de redenering van de bestuurder. Het hof stelde vast dat:
- de fiscus al sinds het begin van het dossier op de hoogte was van de stortingen op de privérekening van de bestuurder;
- de bestuurder zelf geen btw-plichtige was;
- de vennootschap X reeds failliet was verklaard nog vóór het controlebezoek aan de maatschappelijke zetel op 23 september 2016;
- de vragen om inlichtingen, verstuurd in het kader van het btw-onderzoek, voornamelijk betrekking hadden op de persoonlijke situatie van de bestuurder en de betalingen aan hem, en niet op de btw-situatie van de vennootschap.
Op basis van deze elementen concludeerde het hof dat het btw-onderzoek als hoofddoel, en eigenlijk als enige doel, had om informatie te verzamelen voor de vestiging van de personenbelasting ten name van de bestuurder. Het feit dat er later alsnog een btw-proces-verbaal werd opgesteld voor de failliete vennootschap deed hier geen afbreuk aan.
Het hof benadrukte dat de procedure inzake inkomstenbelastingen, via artikel 333, derde lid WIB 1992, een waarborg biedt die niet in dezelfde mate in de btw-wetgeving is voorzien voor de aanvullende fraudetermijn: de verplichte voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen van belastingontduiking. Door de btw-procedure te gebruiken, omzeilde de administratie ten onrechte deze wettelijke verplichting.
Het hof stelde dat het principe van de doelgebondenheid van de fiscale controle onverminderd van kracht blijft. De fiscus mag haar onderzoeksbevoegdheden enkel aanwenden voor de controle van de belastingen waarvoor zij bevoegd is. In casu werden de ruimere btw-onderzoeksbevoegdheden misbruikt om vaststellingen te doen voor de directe belastingen.
Aangezien de voorafgaande kennisgeving van artikel 333, derde lid WIB 1992, die op straffe van nietigheid van de aanslag is voorgeschreven, niet aan de bestuurder was verstuurd, werden de uitbreiding van de onderzoekstermijn en alle gestelde onderzoeksdaden als onwettig beschouwd. Dit leidde tot de nietigheid van de bestreden aanslagen.
Conclusie
Het hof van beroep verklaarde de vordering van de bestuurder gegrond en vernietigde de bestreden aanslagen. Dit arrest onderstreept het belang van het respecteren van procedurele waarborgen en het principe van doelgebondenheid bij fiscale controles. Het oneigenlijk gebruik van onderzoeksbevoegdheden van één type belasting om een ander type belasting te onderzoeken, kan leiden tot de nietigverklaring van de daaruit voortvloeiende aanslagen.