Grondwettelijk Hof vernietigt versoepeling landschappelijk waardevol agrarisch gebied!
21/10/2019

De Codextrein is niet onbesproken. Reeds een aantal van de bepalingen die werden ingevoerd door de Codextrein stuitten op een ferme "njet" van het Grondwettelijk Hof. Het nieuw ingevoegde artikel 5.7.1. VCRO blijkt hetzelfde lot beschoren te zijn. Deze bepaling strekte ertoe komaf te maken met de zeer strenge (te strenge?) rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad van State inzake landschappelijk waardevol agrarisch gebied (LWAG). Benieuwd naar de draagwijdte van deze bepaling en het vernietigingsarrest? Met deze blog bent u weer helemaal mee.

Draagwijdte artikel 5.7.1 VCRO

De vraag of een bepaalde handeling al dan niet verenigbaar is met LWAG wordt afhankelijk gesteld van een tweevoudig criterium. Dit tweevoudig criterium omvat zowel:

  • een planologische toets waarbij de overheid nagaat of de te vergunningen werken/handelingen in overeenstemming zijn mdet de bestemming "agrarisch gebied", EN;
  • een esthetische toets waarbij de overheid nagaat of de tevergunnen werken in overeenstemming zijn met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied. Met andere woorden mag geen project worden vergund dat het behoud van deze schoonheidswaarde in het gedrang zou brengen.

Voor wat betreft de esthetische toets is er over de jaren heen heel wat rechtspraak ontwikkeld. Deze rechtspraak was reeds streng, maar blijkt de laatste jaren zodanig streng te zijn geworden dat het de facto quasi onmogelijk was om in deze gebieden nog vergunningen af te leveren. Deze evolutie was ook de decreetgever niet ontgaan. Een decretaal ingrijpen werd daarom wenselijk geacht.

Zodus verschijnt artikel 5.7.1. VCRO ten tonele. Deze bepaling voorzag (i) in een verduidelijking van met welke elementen betreffende het gebied en het betrokken project rekening kon worden gehouden in het kader van de beoordeling van de esthetische toets en (ii) in de vaststelling dat maatregelen die strekken tot landschapsintegratie niet automatisch leiden tot de vasttstelling dat de schoonheidswaarde van het betrokken gebied zou worden aangetast.

Met artikel 5.7.1. VCRO beoogde de decreetgever de invulling van het LWAG beter te doen aansluiten bij de initiële bedoeling van de regelgever.

2. Draagwijdte van het arrest van het Grondwettelijk Hof
 

Standpunt verzoekende partijen

Tegen deze bepaling werd een vernietigingsberoep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof. De verzoekende partijen voerden aan:

  • dat een plannnende overheid slechts een wijziging zou kunnen doorvoeren aan een bestemmingsvoorschrift mits de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan;
  • dat artikel 5.7.1. onderworpen diende te zijn geweest aan een voorafgaandelijke milieueffectbeoordeling evenals participatiemogelijkheden in de zin van de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus;
  • dat deze werkwijze een onverantwoord verschil in behandeling en een achteruitgang van het beschermingsniveau inzake leefmilieu impliceert.

Standpunt Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof neemt een aantal belangrijke standpunten in, met name:

  • artikel 5.7.1. VCRO kan - hoewel zij doorwerkt op het niveau van de gewestplannen - niet worden beschouwd als een "plan of programma" in de zin van artikel 2, a) van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. Het Grondwettelijk Hof verwijst daarbij uitgebreid naar de parlementaire voorbereiding van de Plan-MER-Richtlijn en ligt in de lijn van het standpunt dat ik samen met mijn collega Guan Schaiko reeds eerder in het Jaarboek tRecht 2017 verdedigde (zie https://www.stibbe.com/en/news/2018/april/wat-is-een-plan-of-programma-in-de-zin-van-de-plan-mer-richtlijn-de-rechtsgrond-van-een-vergunning) ;
  • artikel 5.7.1. VCRO kan evenmin worden beschouwd als een "project" in de zin van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;
  • de artikelen 7 en 8 van het Vedrag van Aarhus (participatieverplichtingen) zijn evenmin van toepassing op de aanneming van artikel 5.7.1 VCRO;
  • artikel 5.7.1. VCRO - hoewel het een aantal waarborgen bevat - impliceert een aanzienlijke achteruitgang met betrekking tot het leefmilieu. Deze achteruitgang maakt dat het niet redelijk verantwoord is dat niet in inspraakmogelijkheden is voorzien. Het daaruit volgende verschil in behandeling is des te minder verantwoord nu wijzigingen in bestemmingsvoorschriften in de regel worden doorgevoerd via een ruimtelijke uitvoeringsplan, waarvan de vaststelling gepaard gaat met enkele belangrijke waarborgen voor het leefmilieu en het publiek.

Deze laatste vaststelling betekende de doodsteek voor artikel 5.7.1. VCRO, ingevoegd bij artikel 94 van de Codextrein (arrest via deze link https://www.const-court.be/public/n/2019/2019-145n.pdf).

3. Gevolgen voor de praktijk

Deze vernietiging heeft tot gevolg dat de strenge rechtspraak van de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwisting opnieuw onverkort van  toepassing is. Er ligt immers niet langer een decretale bepaling voor die de invulling van LWAG door deze administratieve rechtscolleges enigszins tempert.

In het licht van deze vernietiging blijft het dan ook zaak om maximaal aandacht te besteden aan de esthetische toets, zowel door de vergunningsaanvrager als door het vergunningverlenend bestuur.

 

Zie ook : Stibbe


Click here to see the ad(s)

LexGO Network