22/11/19

​Dossier levensverzekeringen - 4. Taxatie in de erfbelasting (Vlaams Gewest) indien er geen kapitaal wordt uitgekeerd op het …

De figuur van de individuele levensverzekering wordt dikwijls gezien als een techniek van vermogensplanning.

In de voorgaande artikelen van deze reeks informeerden wij u reeds omtrent de impact van het nieuw erfrecht, alsook het nieuw huwelijksvermogensrecht op deze beleggingsinstrumenten. Cruciaal is de vraag naar de taxatie in de erfbelasting.

In het derde artikel van deze reeks werd reeds uitgebreid uiteengezet wanneer de uitkering van een individuele levensverzekering naar aanleiding van het overlijden van de verzekerde (zijnde de erflater) belast wordt in de erfbelasting als een fictief legaat, op grond van artikel 2.7.1.0.6. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF).

In de praktijk komt het dikwijls voor dat er individuele levensverzekeringscontracten worden afgesloten die geen aanleiding geven tot (onmiddellijke) uitkering naar aanleiding van het overlijden van de erflater. Wanneer en hoe deze polissen worden getaxeerd in de erfbelasting in het Vlaams Gewest, leest u in deze bijdrage.

Fictief legaat

Soms komt de polis nog niet tot uitkering bij het overlijden van de erflater (verzekeringnemer), met name in die gevallen waarin de erflater niet werd aangeduid als verzekerd hoofd.

Deze verzekeringspolis (of beter: de uitkering hieruit of de afkoop) kan nochtans ook belast worden in de erfbelasting (als een fictief legaat), op grond van artikel 2.7.1.0.6. Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF). De effectieve belasting wordt echter uitgesteld naar een latere “nieuwe gebeurtenis”. Een latere nieuwe gebeurtenis betreft de afkoop van het verzekeringscontract of de uitkering van de verzekeringsprestatie na het overlijden van de erflater aan de oorspronkelijke begiftigde. Indien een uitkering gebeurt aan een nieuwe begunstigde (i.e. een andere begunstigde dan deze die oorspronkelijk was aangeduid door de erflater), dan zal artikel 2.7.1.0.6 VCF hoogstens uitwerking krijgen in de nalatenschap van de nieuwe verzekeringnemer. De banden met de eerststervende of oorspronkelijke verzekeringnemer werden namelijk doorgeknipt, zodanig dat het niet te verantwoorden is dat erfbelasting zal worden geheven in diens nalatenschap.

Wanneer de erflater het voordeel uit de levensverzekering heeft toegekend aan de begunstigde in ruil voor een tegenprestatie, zal er daarentegen geen erfbelasting verschuldigd zijn. De uitkering is in voorkomend geval ten bezwarende titel. Deze bijdrage wordt echter beperkt tot de bedingen ten kosteloze titel.

Welke waarde is belastbaar?

Zodra deze nieuwe gebeurtenis (uitkering of afkoop) zich voordoet, moet een nieuwe aangifte worden ingediend in de nalatenschap van de erflater, en dit binnen de gewone termijnen (zijnde 4 maanden voor een overlijden in België, 5 maanden voor een overlijden in een land van de Europese Economische Ruimte en 6 maanden voor een overlijden buiten een land van de Europese Economische Ruimte) na de nieuwe gebeurtenis.

Een veel voorkomende misvatting is dat men de waarde op het ogenblik van het overlijden moet aangeven. De VCF voorziet immers expliciet dat de waarde op het ogenblik van de nieuwe gebeurtenis moet worden opgenomen in deze nieuwe aangifte.

Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van een voorbeeld. Wanneer de afkoopwaarde van het verzekeringscontract aldus op datum van het overlijden van de erflater € 100.000,00 betreft, doch in een latere fase wordt afgekocht voor € 150.000,00 ten gevolge van een waardestijging, zal een nieuwe aangifte moeten worden ingediend op basis van deze hogere waarde. Bij gedeeltelijke afkopen, maken uiteraard enkel de effectieve afkopen het voorwerp uit van een nieuwe aangifte.

In vele gevallen voorzien verzekeringscontracten in de mogelijkheid tot periodieke afkopen (bijvoorbeeld ter vrijwaring van een last, die opgenomen werd in een schenkingsakte). In principe zou telkens een nieuwe aangifte moeten gebeuren in de nalatenschap van de erflater. Om dit te vermijden heeft de Vlaamse belastingdienst een tolerantie ingevoerd (SP nr. 18033 van 3 mei 2018). Deze mogen jaarlijks gegroepeerd worden aangegeven in één nieuwe aangifte die uiterlijk moet worden ingediend binnen de maand na de verjaardag van het overlijden van de erflater.

Wie is de verzekeringnemer?

Opnieuw moet er een onderscheid worden gemaakt in functie van de persoon die het levensverzekeringscontract heeft afgesloten (i.e. de verzekeringnemer).

EERSTE HYPOTHESE: DE ERFLATER (OF DIENS ECHTGENO(O)T(E)) IS DE VERZEKERINGNEMER VAN HET VERZEKERINGSCONTRACT

1. Erfbelasting

Wanneer de erflater het levensverzekeringscontract heeft afgesloten op andermans hoofd (de erflater was zelf wel verzekeringnemer, maar geen verzekerd hoofd), zal de uitkering aan de begunstigden van de polis belast worden in de erfbelasting op het moment van de uitkering. Wordt de polis (vooraleer deze tot uitkering komt) afgekocht door de (nieuwe of langstlevende) verzekeringnemer, zal erfbelasting worden geheven op het moment van de afkoop.

Over welke situaties gaat het concreet?

Vader onderschrijft een verzekeringscontract met zijn echtgenote (moeder van de kinderen) als verzekerd hoofd en de kinderen als begunstigden bij overlijden (een zogenaamde ABC-polis). Vader overlijdt. Op dat moment komt de polis aldus niet tot uitkering.

  • Wanneer er geen overdracht van rechten voorzien is in het verzekeringscontract, zal deze polis geblokkeerd worden tot het overlijden van de echtgenote (moeder van de kinderen). Tussen het overlijden van vader en het overlijden van moeder kan er aldus niets gewijzigd worden. Wanneer moeder overlijdt komt de polis tot uitkering aan de kinderen (i.e. de door vader aangeduide begunstigden). Op dat moment doet zich aldus een nieuwe gebeurtenis voor in de nalatenschap van vader en moet er, ingevolge de toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF, een nieuwe aangifte worden ingediend door de kinderen in de nalatenschap van vader, waarbij zij belast zullen worden op de volledige uitkering.
  • Wanneer er wel was voorzien in een overdracht van rechten in het verzekeringscontract, treedt de nieuwe verzekeringnemer volledig in de rechten van de verzekeringnemer en bekomt deze onder meer het recht tot aanwijzing van een begunstigde, het recht tot afkoop, enzoverder. Wanneer de nieuwe verzekeringnemer naderhand overgaat tot de afkoop van de polis, kwalificeert dit evenzeer als een nieuwe gebeurtenis in de nalatenschap van vader en moet er, ingevolge de toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF, een nieuwe aangifte worden ingediend door de nieuwe verzekeringnemer (die tot afkoop overging) in de nalatenschap van vader, waarbij deze belast zal worden op de volledige afkoopwaarde.

Cruciaal blijft steeds de impact van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten wanneer deze verzekeringnemer én begunstigde zijn. Wanneer de langstlevende echtgenote werd aangeduid als begunstigde (bij overlijden) en het verzekerd hoofd overlijdt (bijvoorbeeld hun zoon), of de langstlevende echtgenote verkrijgt de rechten van vader als verzekeringnemer en gaat over tot afkoop, dan zal de langstlevende echtgenote belast worden in de erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.6 VCF. Echter, het bedrag waarop de erfbelasting zal worden berekend, hangt af van de wijze waarop de premies werden betaald.

  • Werden de premies betaald met gemeenschappelijke gelden, wordt de helft van de uitkering/afkoop belast in de erfbelasting. Er bestaat evenwel een vermoeden dat wanneer echtgenoten gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel, de premies betaald werden met gemeenschapsgelden.
  • Werden de premies betaald met eigen gelden van vader (verzekeringnemer), wordt de uitkering volledig belast in de erfbelasting. Dit tegenbewijs zal geleverd moeten worden door de fiscus.
  • Werden de premies betaald met eigen gelden van moeder (begunstigde), wordt de uitkering/afkoop niet belast in de erfbelasting. Dit tegenbewijs zal moeten worden geleverd door moeder.

Belangrijk is wel dat dit gegeven enkel speelt wanneer één van de echtgenoten (gehuwd onder een gemeenschapsstelsel) verzekeringnemer is en deze zichzelf of de andere echtgenoot aanduidt als begunstigde. Wanneer de begunstigden van de polis de kinderen zijn, is het aldus irrelevant of de premies met gemeenschappelijke, dan wel eigen gelden werden gefinancierd. De uitkering zal volledig worden belast in hoofde van de kinderen, ongeacht met welke gelden de premies zouden zijn betaald.

Dit principe geldt ook wanneer de langstlevende echtgenoot (gehuwd onder een gemeenschapsstelsel) een levensverzekeringscontract heeft afgesloten en zichzelf heeft aangeduid als begunstigde (een zogenaamde ABA-polis). Bijvoorbeeld sluit moeder een levensverzekeringscontract af op hoofd van de kinderen met zichzelf als begunstigde. Vader overlijdt. Wanneer moeder na het overlijden van vader over zou gaan tot de afkoop van de polis of wanneer de polis bij het overlijden van de kinderen (en bij gebrek aan voortijdige afkoop) tot uitkering komt aan de begunstigde, zijnde moeder, zal zij op dat ogenblik belast worden in de erfbelasting. De waarde waarop de erfbelasting wordt berekend, hangt opnieuw af van de wijze waarop de premies werden betaald.

Opgelet, wanneer echtgenoten gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, en moeder sluit hetzelfde levensverzekeringscontract af (ABA-polis), zal er geen erfbelasting verschuldigd zijn op de uitkering.

2. Vergoedingsregels

In onze vorige bijdragen inzake de impact van het nieuw huwelijksvermogensrecht op de huwelijksvermogensrechtelijke kwalificatie van de individuele levensverzekering en de taxatie van levensverzekeringen die tot uitkering komen bij het overlijden van de erflater, verwezen wij reeds naar het feit dat in welbepaalde gevallen het levensverzekeringscontract een eigen goed is van de langstlevende echtgenoot (gehuwd met de erflater onder een stelsel van gemeenschap), maar dat deze een vergoeding zal verschuldigd zijn aan het gemeenschappelijk vermogen omdat deze werd gefinancierd met gemeenschappelijke gelden (en de gemeenschap zich aldus heeft “verarmd” ten voordele van het eigen vermogen).

Fiscaal wordt geen rekening gehouden met deze vergoedingsregels indien er gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen zijn. Echter, wanneer er geen gemeenschappelijke afstammelingen zijn, zou dit aanleiding kunnen geven tot een dubbele taxatie: enerzijds zal de uitkering voor de helft belastbaar zijn bij toepassing van bovenvermeld principe, anderzijds zal de helft van de vergoeding belastbaar zijn (gelet op het feit dat deze vergoeding toekomt aan de gemeenschap).

De Vlaamse Belastingsdienst heeft dit probleem van dubbele taxatie ingezien en stelt dat deze situatie fiscaal zal worden behandeld alsof het voordeel van de levensverzekering gefinancierd is geweest met eigen gelden van de langstlevende echtgenoot (SP nr. 18073 van 15 oktober 2018). Bijgevolg zal het fictief legaat uitwerking krijgen, maar bedraagt de belastbare grondslag nul. De helft van de vergoeding blijft uiteraard onderworpen aan erfbelasting.

3. Hoe taxatie vermijden?

Wanneer de verzekeringnemer de erflater of de echtgenote betreft, en de polis niet wordt afgekocht, doch later uitkeert aan een andere begunstigde dan degene die oorspronkelijk werd aangeduid door de erflater, wordt de band tussen de erflater en de begunstigde doorgeknipt. Op het moment dat de verzekeringsprestatie wordt uitgekeerd aan deze (nieuwe) begunstigde zal er aldus geen toepassing kunnen worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.6. VCF.

De begunstigde verkrijgt dit kapitaal immers niet via een beding dat werd afgesloten ten gunste van hem door de erflater, doch wel door de nieuwe verzekeringnemer. In dat geval zal er enkel erfbelasting verschuldigd zijn in hoofde van deze nieuwe begunstigde in de nalatenschap van de nieuwe verzekeringnemer, wanneer deze de uitkering ontvangt op het ogenblik van of binnen de drie jaar na het overlijden van deze nieuwe verzekeringnemer.

TWEEDE HYPOTHESE: DE VERZEKERINGNEMER VAN HET VERZEKERINGSCONTRACT IS DE ERFLATER SAMEN MET IEMAND ANDERS

Deze hypothese betreft de zogenaamde levensverzekering met 2 verzekeringnemers (en meestal ook met 2 verzekerde hoofden). Dergelijke levensverzekeringscontracten, afgesloten door twee verzekeringnemers en op het hoofd van twee verzekerden, waren oorspronkelijk zeer populair in Luxemburg, maar worden op heden tevens frequent afgesloten in België.

In de praktijk voorzien de polisvoorwaarden in een overdracht van rechten tussen beide verzekeringnemers bij het overlijden van de eerste verzekeringnemer. Aangezien er pas wordt overgegaan tot uitkering bij het overlijden van de langstlevende verzekeringnemer, blijft de verzekeringspolis bij een eerste overlijden gewoonweg verder lopen.

Gezien de complexiteit van dit type verzekeringen, bieden wij u graag een omstandig antwoord op de vragen “hoe”, “waar” en “wanneer” worden deze polissen getaxeerd in de erfbelasting in onze volgende bijdrage van deze reeks.

dotted_texture