27/11/19

(Nogmaals) De watertoets mag bij het verkavelen niet worden doorgeschoven naar de beoordeling inzake de bouwvergunning

In een blogbericht uit 2011 wezen we al eerder op de verplichting van de vergunningverlenende overheid om zich bij een verkavelingsvergunning op een afdoende gemotiveerde wijze over de watertoets uit te spreken. De zaken zonder meer doorschuiven naar een later tijdstip, bij de beoordeling inzake het daadwerkelijke vergunnen van het effectief bouwen, volstaat niet.

Deze insteek is - na al die jaren - niet gewijzigd en blijft zelfs zeer belangrijk.

Zo werd de Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, recent geconfronteerd met een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat abstractie lijk te te willen maken van voorgaand principe.

In een cassatiearrest van 16 november 2019 zet de Raad van State (nogmaals) de spreekwoordelijke puntjes op de 'i':

'7. De RvVb verwerpt het middel van de verzoekende partij waarin zij heeft aangevoerd “dat de watertoets gebrekkig is uitgevoerd” en “dat uit de waterparagraaf niet af te leiden valt welke elementen van de verkavelingsaanvraag concreet werden getoetst als ook het onderzoek naar de schade aan het watersysteem van de te verkavelen grond ontbreekt en de gebeurlijke compensatiemaatregelen” op volgende gronden:
- uit de aangehaalde waterparagraaf blijkt dat er een behoorlijke watertoets voorhanden is in de bestreden vergunningsbeslissing;
- de deputatie en de waterbeheerder stellen “dat de bepalingen van de stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater dienen nageleefd te worden opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”;
- de deputatie oordeelt “dat maatregelen voor het opvangen van regenwater zullen genomen moeten worden op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning”.

8. Het bestreden arrest dat toestaat dat het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten wordt uitgesteld “op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning” en in die omstandigheden aanneemt dat de waterparagraaf volstaat met de voorwaarde van naleving van voormelde stedenbouwkundige verordeningen “opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”, schendt het voormelde artikel 8 DIWB.

9. Het eerste middel is gegrond.'
(eigen aanduiding)

Het zonder meer vooruitschuiven van de beoordeling inzake de watertoets bij de beoordeling van de omgevingsvergunnning voor het verkavelen van gronden naar het momentum van de beoordeling van de watertoets bij de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kon aldus voorheen niet en blijft ook nu niet kunnen.

Er zijn daarbij geen redenen om aan te nemen waarom dit wel plotsklaps wel zou moeten kunnen in het kader van de watertoets uit het Waterwetboek.


Auteur:
Meindert Gees

dotted_texture