De gerechtskosten en de verjaring
11/08/2017

Inleiding

Wie procedeert moet rekening houden met verschillende soorten kosten. Naast de erelonen en de kantoorkosten die de advocaat aanrekent (en waarop sinds 1/1/2014 ook nog eens 21% BTW verschuldigd is) zijn er nog verschillende andere kosten die vaak stapsgewijs of pas aan het einde van een proces duidelijk worden. Vaak worden deze kosten samen aangeduid als “gerechtskosten” maar deze term dekt verschillende ladingen zoals hierna kort wordt uiteengezet.

Een gerechtskost, meer bepaald de schuldvordering tot inning van een gerechtskost, kan verjaren door het verstrijken van een bepaalde tijdsperiode.

Men moet daarbij een onderscheid maken tussen de verschillende soorten van gerechtskosten: afhankelijk van de soort gerechtskost kan een verschillende verjaringstermijn van toepassing zijn.


Soorten Gerechtskosten

Voor een goed begrip dient men inzake gerechtskosten enkele principes voor ogen te houden. 

Vooreerst is het zo dat de advocatenkosten in het Belgische recht (1) een hybride karakter vertonen: de in het ongelijk gestelde partij moet aan de tegenpartij een wettelijk bepaalde forfaitaire som betalen die men de ‘rechtsplegingsvergoeding’ noemt, en die een tegemoetkoming voor advocatenkosten uitmaakt. Deze som is hoger naarmate de waarde van de zaak hoger is, maar deze som dekt zelden de totale erelonen en kantoorkosten die u aan uw advocaat moet betalen. Enkel de rechtsplegingsvergoeding wordt beschouwd als een gerechtskost, maar dit geldt niet voor het saldo van de advocatenkosten die de rechtsplegingsvergoeding overstijgen. Anders gezegd: advocatenkosten zijn maar deels gerechtskosten en dus maar deels recupereerbaar en dan nog maar aan het einde van een proces.

Daarnaast zijn er nog tal van andere soorten gerechtskosten. Deze worden deels opgesomd in artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek.

Zo zijn er bijvoorbeeld rolrechten en griffierechten, de prijs en lonen van akten van gerechtsdeurwaarders, de kosten van gerechtsdeskundigen, bemiddelaars of tolken, de vertalingskosten, de kosten van kopies van dossiers en van uitgiftes van beslissingen en dergelijke meer.

In principe bepaalt het eindvonnis welke partij deze kosten zal moeten dragen, meestal de verliezende partij. De rechter kan de kosten echter ook ‘omslaan’ of verdelen tussen de partijen.

De bijkomende kosten van tenuitvoerlegging (vooral gerechtsdeurwaarderskosten) komen in principe ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd luidens artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek. Wie dus na een eindvonnis onterecht blijft weigeren te betalen of te handelen riskeert derhalve nog meer bijkomende kosten. De partijen moeten tot slot ook rekening houden met registratierechten.


Soorten Verjaringstermijnen

Na deze korte toelichting omtrent de verschillende soorten gerechtskosten, kan nagegaan worden welke verjaringstermijnen daarop van toepassing zijn.

Immers, wie een gerechtskost invordert oefent een vorderingsrecht uit of beschikt over een schuldvordering (2), en dient deze vordering uit te oefenen voor het verstrijken van een verjaringstermijn.

Een eerste aandachtspunt inzake verjaring is dat men een onderscheid moet maken tussen verschillende soorten verjaringsregels. Zo bestaat er een duidelijk verschil tussen de verjaring van de burgerlijke vordering, de verjaring van de strafvordering en de verjaring van de straf. Grosso modo kan men stellen dat de eerste wordt geregeld door het Burgerlijk Wetboek, de tweede door het Wetboek van Strafvordering en de derde door het Strafwetboek (telkens behoudens bijzondere wetsbepalingen).

Een tweede aandachtspunt is dat men een onderscheid dient te maken tussen algemene 

verjaringstermijnen en bijzondere verjaringstermijnen. Ingevolge het beginsel ‘lex specialis derogat legi generali’ hebben de bijzondere termijnen voorrang op de algemene termijnen.

Welnu, onder welk regime valt de verjaring van de gerechtskosten? En is er een verschil tussen de gerechtskosten in burgerlijke zaken en deze in strafzaken?

Op de laatste vraag is het antwoord alvast negatief. De gerechtskosten, zowel in burgerlijke zaken als in strafzaken(3), verjaren overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht.

Men dient bijgevolg inzake de verjaring van de gerechtskosten te rade te gaan bij Titel XX van het Burgerlijk Wetboek, meer bepaald Hoofdstuk V inzake ‘Tijd die voor de verjaring vereist is’.

Men stelt hierbij meteen vast dat dit Hoofdstuk V opgedeeld is in verschillende Afdelingen waarbij eerst de ‘Algemene termijnen van verjaring’ aan bod komen en vervolgens de ‘Bijzondere verjaringen’.

Bij de algemene termijnen wordt een verder onderscheid gemaakt naargelang het gaat over zakelijke rechtsvorderingen of persoonlijke rechtsvorderingen.

Aangezien een vordering tot betaling van gerechtskosten een persoonlijke rechtsvordering uitmaakt speelt derhalve, voor de gerechtskosten waarvoor geen bijzondere afwijkende regeling bestaat, de regeling van artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek die voorziet in een algemene verjaringstermijn van 10 jaar.

Geldt deze 10-jarige termijn echter voor alle gerechtskosten? Neen: er is geen wetsartikel dat een verjaringstermijn bepaalt voor alle gerechtskosten samen en er zijn bovendien bijzondere artikels voor bepaalde gerechtskosten. Enkel gerechtskosten die niet onder een bijzondere termijn vallen, zijn onderworpen aan de algemene termijn.

Vooreerst wordt verwezen naar de bijzondere termijnen van 5 jaar voor de vorderingen van advocaten(4) en deskundigen inzake hun ereloon en kosten (artikelen 2276bis en 2276ter Burgerlijk Wetboek). Voor advocaten betreft het hier dus hun ereloon en kosten tout court, los van de vordering van de rechtsplegingsvergoeding die verjaart volgens de 10-jarige algemene termijn.

Daarnaast dient echter ook verwezen te worden naar de bijzondere termijn van 1 jaar die geldt voor “de vordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren” (artikel 2272 Burgerlijk Wetboek).

Vooral deze laatste termijn dient men goed na te kijken. Zelfs indien de lonen en kosten van een gerechtsdeurwaarder door een partij worden betaald en door die partij vervolgens worden teruggevorderd lastens de in het ongelijk gestelde partij, zou men kunnen argumenteren dat deze verjaringstermijn van toepassing is. De regels inzake verjaring zijn immers van openbare orde en het algemene rechtsbeginsel ‘nemo plus iuris transferre potest quam ipse habet' bepaalt dat niemand meer rechten kan overdragen dan hij/zij zelf heeft. Bijgevolg is de partij die in de rechten van de gerechtsdeurwaarder gesubrogeerd wordt in principe ook gebonden door deze korte verjaringstermijn van 1 jaar.(5)


Besluit

Er zijn verschillende soorten gerechtskosten en deze verjaren door verloop van verschillende termijnen.

In het bijzonder de korte 1-jarige verjaringstermijn verdient aandacht inzake lonen en kosten van gerechtsdeurwaarders.

Met een oude zegswijze kan men besluiten: “De tijd vliegt snel, gebruik hem wel.” Dit geldt overigens zowel voor de eiser die gerechtskosten invordert als voor de verweerder die zich wenst te beroepen op de verjaring; beide hebben er belang bij de tijd in hun voordeel aan te wenden.
 

_________________________________

(1) In onze buurlanden Nederland, Frankrijk, Luxemburg en Duitsland gelden ter zake compleet andere regels; op dit punt kent de Europese Unie tot dusver geen harmonisatie. Procederen in het buitenland is vaak veel duurder dan in België omdat de advocatenerelonen daar vaak veel hoger liggen en men als verliezende partij soms een groter deel daarvan moet ophoesten. Men dient zich derhalve steeds goed te informeren indien een proces een buitenlands aspect kan bevatten.

(2) Over het onderscheid tussen de verjaring van een schuldvordering en van een rechtsvordering, zie de interessante bijdrage van Prof. LUDO CORNELIS: L. CORNELIS, “Panta Rei, Kai Ouden Menei - Over de verjaring van de rechts-en schuldvordering”, in CBR (ed.), De Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2007, 317-343.

(3) F. VERBRUGGEN & R. VERSTRAETEN, Strafrecht & strafprocesrecht, Deel II, Antwerpen, Maklu, 2017, p. 524.

(4) Zoals hoger aangegeven zijn erelonen en kantoorkosten van advocaten strikt genomen geen “gerechtskosten” terwijl de rechtsplegingsvergoeding dat wel is. Men kan zich de vraag stellen of de verschillende verjaringstermijnen die derhalve van toepassing zijn de toets van het gelijkheidsbeginsel doorstaan, maar dat gaat het opzet van deze korte bijdrage te buiten.

(5) Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat het Hof van Cassatie inzake artikel 2272 B.W. weliswaar een strikte interpretatie hanteert, maar deze staat in principe niet in de weg aan de hier geformuleerde redenering: het kan immers niet de bedoeling zijn om de dwingende regels van het verjaringsrecht te omzeilen door een schuldvordering inzake gerechtsdeurwaardersloon en -kosten door een andere partij dan de gerechtsdeurwaarder te laten vorderen.

_________________________________

Auteur:

Pieter-Jan Termote
Advocaat

 

Related : Consiglio Law


Click here to see the ad(s)
All articles Civil procedure

Lastest articles Civil procedure

Belgian Court Rules on Recognition of U.S. Class Action Settlements
07/06/2017

On 23 March 2017, the Ghent Court of Appeal (Hof van Beroep/Cour d’Appel) ("Court of Appeal") handed down ...

Read more

Third Party Opposition Against Arbitral Awards Is Admissible, According to Constitutional Court
06/04/2017

On 16 February 2017, the Constitutional Court (Grondwettelijk Hof/Cour Constitutionnelle) (the “Court”) held t...

Read more

Establishment of Market Court: Recent Developments
29/03/2017

The Market Court was established by the Law of 25 December 2016 which effected various changes to Belgium's judicial s...

Read more

De verhoogde kosten voor een gerechtsprocedure op de helling
17/02/2017

De rolrechten (of griffierechten), die verschuldigd zijn door de partij die een procedure opstart voor de rechtb...

Read more

LexGO Network